Jaargang 19 nummer 3
| 233 |
Waarde lezer |
Rik Van Daele |
|
| |
| 235 |
Brievenuitgave |
| |
| 334 |
Verantwoording |
| |
| 336 |
Over de correspondenten |
|
Medewerkers
Willy Feliers, Paul Wackers, Marcel Ryssen, Peter Everaers, Willy
Devreese, Hilde Reyniers, Wim en Trude Gielen, Erwin Verzandvoort en
Els Wauters
Verantwoording illustraties
Omslagillustratie: vooraan houtsnede Wim de Cock; achteraan: prent uit Reinaert de Vos, episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw, met aenmerkingen en ophelderingen van J.F. Willems, Gent, By F. en E. Gyselynck, Boek- en steendrukkers, 1850.
Waarde lezer
‘Helpe, wat lettren zijn dit’, roept Botsaert op het einde van Van den vos Reynaerde
verbouwereerd uit. Nobel heeft net Reynaerts finale boodschap gekregen.
De brief die Reynaerts overwinning bezegelt laat de koning onteerd
achter. De brief onthult het boosaardige karakter van de vos. Brieven
zijn echter zelden eenduidig (dat bewijst Reynaerts ‘brief’ in elk
geval). Niets is immers in het verhaal wat het schijnt te zijn. Vandaar
dat er tegenwoordig nogal wat onderzoekers zijn die het onderzoek naar
Reynaerts boosaardigheid opnieuw openen. De brief met Cuwaerts hoofd
wordt voorafgegaan – vooraf gespiegeld – door de brief met koninklijk
zegel die Reynaert aan de machtsgetrouwe haan Canteclaer toont en die
de ondergang bezegelt van diens geslacht. Willem, de Reynaertdichter,
is een ingenieuze componist. Het motief van de brief, duidelijker
ingelast dan in zijn Oudfranse bron en wellicht knipogend naar de Ysengrimus,
wordt aan Nobel op een cruciaal moment in het verhaal aangebracht. Op
het moment dat hij als wijze en hoofse vorst de moord op Coppe dient te
wreken, wordt Reynaerts talig meesterschap aan de vorst van naaldje tot
draadje uitgelegd. Nobel krijgt in het begin van het verhaal een staal
van de Reynaerdie, zowel verbaal als schriftelijk. De brief is een
essentieel leidmotief in de Reynaert.
De hierboven
geschetste interpretatie wordt door vele reynaerdisten gedeeld, maar
niet door alle. De interpretatie van Reynaertscènes heeft al tot meer
dan één brievendispuut geleid. Vooral in de negentiende eeuw was deze
communicatievorm een geliefd middel om diverse materies en
interpretaties te bespreken. Deze brieven werden af en toe
gepubliceerd. Beroemd is de ‘pennenstryd’ tussen Jan Frans Willems en
D. Buddingh in de Konst- en Letterbode
in 1836-1838 (brief 3), die integraal werd opgenomen in de postume
tweede druk van Willems’ Reynaertuitgave van 1850. Niet zelden begon of
eindigde een negentiende-eeuwse studie of editie met een brief, zoals
de Reinhart Fuchs van Jacob Grimm uit 1834 met een schrijven
aan Karl Lachmann. Over de nuanceverschillen tussen inleiding,
voorrede, manifest of brief willen wij hier geen theoretische boom
opzetten. Ook niet over de ‘brief’ als genre. Zo bijvoorbeeld niet over
het statuut van de afsluitende Brief aan Wine Klazes van Heeroma’s De andere Reinaert (1970), die mede de aanleiding vormde tot dit nummer.
Tegenwoordig is de publicatie van een brief weinig modieus, hoewel de
brief – en tegenwoordig de e-mail – nog steeds een belangrijk middel is
om over inhoudelijke kwesties van gedachten te wisselen. Brieven zijn
natuurlijk een specifiek genre, tegenwoordig vaak behorend tot het
interpersoonlijke en minder tot het publieke forum. Brieven kunnen
interessante zaken blootleggen die nauwelijks blijken uit essays,
bibliografieën of wetenschappelijke geschriften. Met betrekking tot de
Reynaertmaterie kunnen nooit gepubliceerde inzichten blijken, nooit
gerealiseerde dromen of projecten, de groei van een argumentatie of een
misvatting, maar we komen ook iets te weten over de intermenselijke
relaties tussen zender en ontvanger. Natuurlijk laat een selectie ook
maar zien wat de samensteller(s) wil (willen) dat er gezien wordt.
Het is onze bedoeling met de in dit nummer geselecteerde brieven de
weidsheid van de materie te laten zien, met brieven van professionelen
en amateurs, van literatoren en van toevallige Reynaertpassanten, over
de grote Reynaertvragen en -interpretaties, maar ook over
-manifestaties en -publicaties.
De brieven werden chronologisch geordend, waardoor in een zeldzaam
geval de thematisch verwante brieven wat verder uit elkaar staan. Toch
is de chronologie ook thematisch verantwoord. De bedoeling van dit
themanummer is een aantal brieven samen te brengen (sommige al
meermaals geciteerd, zoals de nooit beantwoorde brief van Willem
Elsschot aan J.W. Muller) die het lezen waard zijn. Evident was het
gemakkelijker recent en/of gepubliceerd materiaal bijeen te brengen.
Ook materiaal uit eigen kring is gemakkelijk vindbaar. Het
Tiecelijnarchief bevat meer dan duizend brieven en een veelvoud aan
e-mails (die op termijn dreigen verloren te gaan, wegens niet allemaal
uitgeprint – een probleem van vele literaire archieven). Het archief
van de Bibliotheca Wasiana bevat eveneens enkele honderden
Reynaertbrieven. Dit geldt ook – en in nog veel grotere mate – voor
wetenschappelijke bewaarbibliotheken zoals universitaire instellingen
en letterkundige archieven. De samensteller van een brievennummer wordt
naast de overvloed aan brieven ook geconfronteerd met andere problemen.
Daar waar uitstekend geïnventariseerde instrumenten bestaan, ontbreekt
helaas (maar haast vanzelfsprekend) een trefwoordenindex (zoals bij Agrippa van het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen, dat 325.000 brieven exemplarisch heeft geïnventariseerd, en bij de Catalogus Epistularum Neerlandicarum
(CEN), een gigantische verzameling literaire brieven van
wetenschappelijke instellingen in Nederland). Wil men dus weten in
welke brieven Stijn Streuvels over de Reynaertmaterie schreef, dan is
het nodig om naast de gepubliceerde brieven ook de 11.193 brieven van
Streuvels, de 2.500 brieven aan Streuvels en bovendien nog eens de
4.704 brieven uit het archief Streuvels (in het AMVC-Letterenhuis) te
doorzoeken (en dit is dan nog maar een deel van het geheel).
Reynaertbrieven editeren is bezig zijn met de toppen van gigantische
ijsbergen, verzameld of opgemerkt tijdens jarenlang studie- en
zoekwerk. Volledigheid en representativiteit kunnen geen primaire
doelstellingen zijn. Wij kunnen niet anders dan een persoonlijke keuze
brengen uit een toevallige hoeveelheid bijeengebrachte
gebruiksvoorwerpen (want dat zijn de meeste van deze brieven in de
eerste plaats). De toevalligheid van de overlevering levert een geheel
eigen en een volledig nieuw verhaal op.
Er werd bij de selectie van de zeventig brieven getracht aan een aantal
criteria te voldoen. De leesbaarheid van de brieven stond centraal. De
samensteller hoopt dat de lezer deze brieven als een roman zal lezen en
zich vooral zal amuseren (‘de lust tot lezen’…). De lengte, de
anekdotiek en (als rode draad:) de interesse (nieuwswaarde en
nieuwsgierigheid) vanuit een reynaerdiaans standpunt waren de
graadmeters in functie van de opname.
De manier van uitgeven wordt achteraan in dit nummer beschreven
(verantwoording). Na elke brief wordt de bewaarplaats aangegeven,
gevolgd door een contextbeschrijving en een verklarend apparaat. De
briefschrijvers en de geadresseerden werden in een aparte lijst
(correspondenten) beknopt gesitueerd.
Er werd getracht om volgens de wettelijke voorschriften alle zenders en
ontvangers of hun rechthebbenden te contacteren voor een toestemming
tot publicatie. Indien wij hier door tijdsdruk of als gevolg van te
ingewikkelde speurtochten (erven, adreswijzigingen, onbeantwoorde
brieven of mails) niet in slaagden, willen wij de rechthebbenden vragen
om met ons contact op te nemen. Ook alle andere lezers nodigen wij uit
om ons een brief terug te schrijven naar aanleiding van dit themanummer
of om ons nog andere interessante brieven te signaleren. Er ontbreken
immers nog vele namen… Misschien is er ooit een tweede brievennummer
nodig.
Ondertussen hopen wij dat uw nieuwsgierigheid geprikkeld is en u zich
al lezend in de brieven uit de negentiende, twintigste en
eenentwintigste eeuw kunt verbazen over de veelzijdigheid en de
complexiteit van de vossenjacht.
Met vriendelijke groet,
Rik van Daele, samensteller