You are here

2006 | Brievennummer

Jaargang 19 nummer 3

 

 

 

 

233Waarde lezerRik Van Daele 
 
235Brievenuitgave
 
334Verantwoording
 
336Over de correspondenten 

 

Medewerkers
Willy Feliers, Paul Wackers, Marcel Ryssen, Peter Everaers, Willy Devreese, Hilde Reyniers, Wim en Trude Gielen, Erwin Verzandvoort en Els Wauters

Verantwoording illustraties
Omslagillustratie: vooraan houtsnede Wim de Cock; achteraan: prent uit Reinaert de Vos, episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw, met aenmerkingen en ophelderingen van J.F. Willems, Gent, By F. en E. Gyselynck, Boek- en steendrukkers, 1850.

Waarde lezer
‘Helpe, wat lettren zijn dit’, roept Botsaert op het einde van Van den vos Reynaerde verbouwereerd uit. Nobel heeft net Reynaerts finale boodschap gekregen. De brief die Reynaerts overwinning bezegelt laat de koning onteerd achter. De brief onthult het boosaardige karakter van de vos. Brieven zijn echter zelden eenduidig (dat bewijst Reynaerts ‘brief’ in elk geval). Niets is immers in het verhaal wat het schijnt te zijn. Vandaar dat er tegenwoordig nogal wat onderzoekers zijn die het onderzoek naar Reynaerts boosaardigheid opnieuw openen. De brief met Cuwaerts hoofd wordt voorafgegaan – vooraf gespiegeld – door de brief met koninklijk zegel die Reynaert aan de machtsgetrouwe haan Canteclaer toont en die de ondergang bezegelt van diens geslacht. Willem, de Reynaertdichter, is een ingenieuze componist. Het motief van de brief, duidelijker ingelast dan in zijn Oudfranse bron en wellicht knipogend naar de Ysengrimus, wordt aan Nobel op een cruciaal moment in het verhaal aangebracht. Op het moment dat hij als wijze en hoofse vorst de moord op Coppe dient te wreken, wordt Reynaerts talig meesterschap aan de vorst van naaldje tot draadje uitgelegd. Nobel krijgt in het begin van het verhaal een staal van de Reynaerdie, zowel verbaal als schriftelijk. De brief is een essentieel leidmotief in de Reynaert.
De hierboven geschetste interpretatie wordt door vele reynaerdisten gedeeld, maar niet door alle. De interpretatie van Reynaertscènes heeft al tot meer dan één brievendispuut geleid. Vooral in de negentiende eeuw was deze communicatievorm een geliefd middel om diverse materies en interpretaties te bespreken. Deze brieven werden af en toe gepubliceerd. Beroemd is de ‘pennenstryd’ tussen Jan Frans Willems en D. Buddingh in de Konst- en Letterbode in 1836-1838 (brief 3), die integraal werd opgenomen in de postume tweede druk van Willems’ Reynaertuitgave van 1850. Niet zelden begon of eindigde een negentiende-eeuwse studie of editie met een brief, zoals de Reinhart Fuchs van Jacob Grimm uit 1834 met een schrijven aan Karl Lachmann. Over de nuanceverschillen tussen inleiding, voorrede, manifest of brief willen wij hier geen theoretische boom opzetten. Ook niet over de ‘brief’ als genre. Zo bijvoorbeeld niet over het statuut van de afsluitende Brief aan Wine Klazes van Heeroma’s De andere Reinaert (1970), die mede de aanleiding vormde tot dit nummer.
Tegenwoordig is de publicatie van een brief weinig modieus, hoewel de brief – en tegenwoordig de e-mail – nog steeds een belangrijk middel is om over inhoudelijke kwesties van gedachten te wisselen. Brieven zijn natuurlijk een specifiek genre, tegenwoordig vaak behorend tot het interpersoonlijke en minder tot het publieke forum. Brieven kunnen interessante zaken blootleggen die nauwelijks blijken uit essays, bibliografieën of wetenschappelijke geschriften. Met betrekking tot de Reynaertmaterie kunnen nooit gepubliceerde inzichten blijken, nooit gerealiseerde dromen of projecten, de groei van een argumentatie of een misvatting, maar we komen ook iets te weten over de intermenselijke relaties tussen zender en ontvanger. Natuurlijk laat een selectie ook maar zien wat de samensteller(s) wil (willen) dat er gezien wordt.
Het is onze bedoeling met de in dit nummer geselecteerde brieven de weidsheid van de materie te laten zien, met brieven van professionelen en amateurs, van literatoren en van toevallige Reynaertpassanten, over de grote Reynaertvragen en -interpretaties, maar ook over -manifestaties en -publicaties.
De brieven werden chronologisch geordend, waardoor in een zeldzaam geval de thematisch verwante brieven wat verder uit elkaar staan. Toch is de chronologie ook thematisch verantwoord. De bedoeling van dit themanummer is een aantal brieven samen te brengen (sommige al meermaals geciteerd, zoals de nooit beantwoorde brief van Willem Elsschot aan J.W. Muller) die het lezen waard zijn. Evident was het gemakkelijker recent en/of gepubliceerd materiaal bijeen te brengen. Ook materiaal uit eigen kring is gemakkelijk vindbaar. Het Tiecelijnarchief bevat meer dan duizend brieven en een veelvoud aan e-mails (die op termijn dreigen verloren te gaan, wegens niet allemaal uitgeprint – een probleem van vele literaire archieven). Het archief van de Bibliotheca Wasiana bevat eveneens enkele honderden Reynaertbrieven. Dit geldt ook – en in nog veel grotere mate – voor wetenschappelijke bewaarbibliotheken zoals universitaire instellingen en letterkundige archieven. De samensteller van een brievennummer wordt naast de overvloed aan brieven ook geconfronteerd met andere problemen. Daar waar uitstekend geïnventariseerde instrumenten bestaan, ontbreekt helaas (maar haast vanzelfsprekend) een trefwoordenindex (zoals bij Agrippa van het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen, dat 325.000 brieven exemplarisch heeft geïnventariseerd, en bij de Catalogus Epistularum Neerlandicarum (CEN), een gigantische verzameling literaire brieven van wetenschappelijke instellingen in Nederland). Wil men dus weten in welke brieven Stijn Streuvels over de Reynaertmaterie schreef, dan is het nodig om naast de gepubliceerde brieven ook de 11.193 brieven van Streuvels, de 2.500 brieven aan Streuvels en bovendien nog eens de 4.704 brieven uit het archief Streuvels (in het AMVC-Letterenhuis) te doorzoeken (en dit is dan nog maar een deel van het geheel).
Reynaertbrieven editeren is bezig zijn met de toppen van gigantische ijsbergen, verzameld of opgemerkt tijdens jarenlang studie- en zoekwerk. Volledigheid en representativiteit kunnen geen primaire doelstellingen zijn. Wij kunnen niet anders dan een persoonlijke keuze brengen uit een toevallige hoeveelheid bijeengebrachte gebruiksvoorwerpen (want dat zijn de meeste van deze brieven in de eerste plaats). De toevalligheid van de overlevering levert een geheel eigen en een volledig nieuw verhaal op.
Er werd bij de selectie van de zeventig brieven getracht aan een aantal criteria te voldoen. De leesbaarheid van de brieven stond centraal. De samensteller hoopt dat de lezer deze brieven als een roman zal lezen en zich vooral zal amuseren (‘de lust tot lezen’…). De lengte, de anekdotiek en (als rode draad:) de interesse (nieuwswaarde en nieuwsgierigheid) vanuit een reynaerdiaans standpunt waren de graadmeters in functie van de opname.
De manier van uitgeven wordt achteraan in dit nummer beschreven (verantwoording). Na elke brief wordt de bewaarplaats aangegeven, gevolgd door een contextbeschrijving en een verklarend apparaat. De briefschrijvers en de geadresseerden werden in een aparte lijst (correspondenten) beknopt gesitueerd.
Er werd getracht om volgens de wettelijke voorschriften alle zenders en ontvangers of hun rechthebbenden te contacteren voor een toestemming tot publicatie. Indien wij hier door tijdsdruk of als gevolg van te ingewikkelde speurtochten (erven, adreswijzigingen, onbeantwoorde brieven of mails) niet in slaagden, willen wij de rechthebbenden vragen om met ons contact op te nemen. Ook alle andere lezers nodigen wij uit om ons een brief terug te schrijven naar aanleiding van dit themanummer of om ons nog andere interessante brieven te signaleren. Er ontbreken immers nog vele namen… Misschien is er ooit een tweede brievennummer nodig.
Ondertussen hopen wij dat uw nieuwsgierigheid geprikkeld is en u zich al lezend in de brieven uit de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw kunt verbazen over de veelzijdigheid en de complexiteit van de vossenjacht.

Met vriendelijke groet,
Rik van Daele, samensteller