In 1988 publiceerde Jan Goossens in De gecastreerde neus
voor het eerst een beschrijvende bibliografie van de hem bekende
gedrukte bewerkingen en vertalingen van de Reynaertstof die niet als
een variant of herdruk van de volksboeken zijn te beschouwen. Hij wees
erop dat hij niet alle drukjes had kunnen inzien en snel werkte,
waardoor onnauwkeurigheden zouden kunnen ontstaan. Goossens’ werk
bevatte daarom een aantal fouten en ontbrekende titels en
interpretaties of veronderstellingen die nu preciezer kunnen worden
geformuleerd. Er verschenen kort na 1988 in Tiecelijn al enkele
aanvullingen. Ondertussen zijn we zestien jaar verder en is de lijst
van Reynaertbewerkingen en -vertalingen steeds langer geworden. Het is
daarom tijd voor een nieuwe, aangevulde, verbeterde en vervolledigde
bibliografie van “Reynaerden” vanaf 1800. Deze datum werd gekozen omdat
deze bibliografie dan naadloos aansluit op het uitstekende
standaardwerk van Hubertus Menke over de Europese Reynaertdrukken tot
1800. De volksboeken na 1800 die (ondanks de beperking in de titel) bij
Menke toch staan vermeld en die grotendeels uit het overzicht van Erwin
Verzandvoort en Paul Wackers zijn overgenomen, werden in onze lijst
geïntegreerd. De einddatum voor opname in de huidige bibliografie is 15
september 2004.
De opzet van dit bibliografisch project was
vermetel, misschien zelfs hoogmoedig. Wie zich aan dit soort werk
waagt, wordt al snel bescheiden en krijgt respect voor de voorgangers.
Wij beschouwen ons daarom, zoals de middeleeuwers deden ten opzichte
van hun klassieke voorgangers, “als dwergen op de schouders van
reuzen”. De tocht duurde bijna drie jaar. De opties en criteria
wijzigden meermaals. Vandaar dat alle boeken meer dan eens ter hand
werden genomen door de gezamenlijke redactie. Werken in groep betekent
immers: discussiëren, afwegen en knopen doorhakken. Elke beslissing
voor opname of geen opname, voor opname in de B- of C-lijst, voor de
plaatsing in een nieuw lemma enzovoort, kan gemotiveerd worden. De
motieven expliciteren waarop elke afweging bij elk item werd gestoeld,
leek ons niet zinvol. Er werd in elk geval ruim geselecteerd met
respect voor randgevallen. De aanwezigheid van tekst in “modern”
Nederlands van na 1800, hoe gering ook, was een duidelijk criterium.
Edities en schooluitgaven met enkel Middelnederlandse teksten zijn voor
een latere bibliografie. De grote lijnen en enkele precieze criteria
voor opname – en voorbeelden van de keuzes die we hierbij maakten –
worden summier in het Naschrift beschreven. Maar finaal menen ook wij dat wij aan niemand verantwoording verschuldigd zijn.
Er werd gestreefd naar een zo volledig mogelijke bibliografie, met
grotendeels dezelfde uitgangspunten en de overname van de diverse
zoekresultaten – evenwel indien mogelijk, steeds getoetst – als
Goossens, om geen tweede standaard te moeten ontwikkelen en als teken
van respect voor onze voorganger. Er werd aandacht besteed aan de
eventuele voorpublicaties, aan de bron van de uitgave, aan de
illustrator(en), de latere drukken en de bibliografische aspecten
(paginanummering, titelpagina, band, papier …) van de publicatie. Bio-
en bibliografische gegevens over de auteur en de illustrator(en) werden
niet verder opgenomen en kunnen later in een soort Reynaertencyclopedie
nog eens uitgewerkt worden.
Alle lemma’s hebben dezelfde structuur. Eerst komt de bibliografische beschrijving aan bod en vervolgens:
rubriek a: voorpublicaties
rubriek b: bron en genre
rubriek c: illustrator(en) en illustraties
rubriek d: band, colofongegevens, drukken en varianten
rubriek e: anekdotiek
rubriek f: verwijzing naar andere bibliografieën en relevante studies.
De belangrijkste gebruikte studies en
enkele bestaande Reynaertcatalogi werden opgenomen in een aparte
bibliografie achteraan. Tussen de beschrijvingen werden circa 60
titelpagina’s, omslagen of illustraties opgenomen om een overzicht te
geven van de rijkdom aan vormgeving en verluchting in twee eeuwen
Reynaertpublicaties.
Bibliografisch werk is nooit af. Morgen
ontdekt een verzamelaar een onbekende herdruk in zijn collectie, een
ander omslag of zelfs een uiterst zeldzaam en nooit geïnventariseerd
werkje. Overmorgen verschijnt een nieuwe editie.
Om een breder én ander publiek te bereiken en de verzamelaar te
plezieren (of uit te dagen?), wordt van dit tijdschriftnummer een
tweede druk op de markt gebracht met een ander omslag …
Een alles omvattende Reynaertbibliografie, inclusief de
wetenschappelijke uitgaven en de Reynaertschoolboekjes, de
gebloemleesde fragmenten in taal- en literatuurboeken voor het
onderwijs en de duizenden Reynaertartikelen en -recensies is nooit
samengesteld. Er is zelfs nog nooit een poging ondernomen, hoewel de
gedigitaliseerde BNTL (
Bibliografie van de Nederlandse Taal en Letterkunde) de moedige bibliograaf al een stuk op weg kan helpen. Daarom krijgt deze publicatie zeker nog vervolgedities.
Graag willen wij tot slot Wim Gielen (die uit zijn rijke collectie talrijke aanvullingen voorstelde) en de redactieleden van
Tiecelijn
bedanken voor de grondige lectuur en de kritische opmerkingen. Hulp
kwam er ook van de talrijke door ons aangeschreven en aangesproken
mensen (Chris Coppens, Etienne de Koning, Philippe Proost en de
medewerkers en verantwoordelijken van diverse wetenschappelijke
instellingen, o.a. AMVC, Stadsbibliotheek Antwerpen, Kadoc, Bibliotheek
KU Leuven en Bibliotheca Wasiana).
Elke gebruiker van deze bijdrage, die wij willen opdragen aan Jan
Goossens en de geduldige echtgenotes van de samenstellers, roepen wij
op om aan deze nooit eindigende inventarisatie verder mee te werken.