You are here

Anselm Turmeda, Het dispuut van de ezel - verkort

Anselm Turmeda, HET DISPUUT VAN DE EZEL

       Bob de Nijs

     Inleiding

 

     Leven

 

     Anselm Turmeda (circa 1352-circa 1423) is in de Catalaanse literatuur een bijzonder buitenbeentje. Hij werd geboren op Mallorca als telg van een burgerfamilie en hij omschrijft zichzelf van Catalaanse afkomst. Al heel vroeg begon hij onder leiding van een geestelijke als leermeester aan zijn opleiding, die hij voltooide aan de faculteit der Vrije Kunsten te Lleida, waar hij vooral belangstelling toonde voor de natuurlijke wetenschappen (de fysica) en de astronomie.

     Waarschijnlijk trad hij nog tijdens zijn opleiding in Lleida in het klooster van de minderbroeders in Montblanc, waar hij tot 1375 lid was van de orde. Hij vertelt zelf in zijn Tuhfa, een werk dat hij in het Arabisch schreef op het einde van zijn leven en waarin hij enkele biografische passages invoegt, dat hij de volgende tien jaar theologie studeerde te Bologna en Parijs.

     Daarna keerde hij terug naar Mallorca, en enkele maanden later scheepte hij in naar Sicilië en Tunis, waar veel Catalaanse christenen verbleven. Volgens zijn verhaal zwoer hij voor de koning van Tunesië, Abu-l-Abbas III, en in aanwezigheid van christelijke handelaars, die speciaal voor de gelegenheid waren opgetrommeld, het christelijk geloof af en bekeerde hij zich tot de islam. De koning verleende hem een inkomen en hij trad in het huwelijk met de dochter van een notabele. Uit deze echt werden enkele kinderen geboren. Later werd hij hoofd van de douane. Na het overlijden van Abu-l-Abbas benoemde diens opvolger hem als intendant van het paleis, een taak die hij, naast andere, tot zijn dood bleef vervullen.

     Zijn hele literaire oeuvre dat tot ons is gekomen, zowel de werken geschreven in het Catalaans als in het Arabisch, is ontstaan na zijn bekering. Tijdens die lange periode van meer dan dertig jaar van economische welstand, familiaal welbevinden en literaire creativiteit werden verschillende pogingen ondernomen om hem terug te brengen naar de christelijke schaapsstal.

     Een bekering van dien aard – of in omgekeerde richting – was in die tijd immers een geruchtmakende gebeurtenis. Het ging hier tenslotte om een overgang van het ene absolute geloof naar het andere. Het lijkt wel of hij de twee kanten bespeelde van die spiegel die verhinderde de ander te zien, en dat hij niet helemaal afstand kon nemen van zijn vroegere wereld.

     Er werden Anselm Turmeda vrijgeleides aangeboden, onder meer door de vicekoning van Mallorca. Koning Ferdinand I was in 1414 nog bereid om in te gaan op het verzoek om een veiligheidswaarborg die uitging van Anselm Turmeda zelf. Er is zelfs sprake van een gelijkaardig verzoek dat onze afvallige zou gericht hebben tot de in Avignon verblijvende (tegen)paus, Benedictus XIII (de Aragonees Pedro de Luna), maar hierover bestaat twijfel.

     Het contrast tussen het goede leven dat Turmeda in Tunis leidde, en de verzoeken om vrijgeleiden doen heel wat twijfel rijzen over zijn persoonlijkheid: meer dan eens wordt dan ook de vraag gesteld of zijn bekering wel oprecht was. Was zijn geloofsovergang aanvankelijk wel gemeend, maar kreeg hij er misschien spijt van? Het ziet ernaar uit dat hij graag werd gewaardeerd en dat hij de twijfel zaaide om in het centrum van de belangstelling te blijven.

 

 

     Oeuvre

 

     Het lot van de verschillende werken van Anselm Turmeda – Abdalla na zijn bekering tot de islam – is erg verscheiden. Hij schreef twee teksten die echte bestsellers werden, namelijk Llibre de bons amonestaments (Het boek van de leerrijke vermaningen) en de Tuhfa, maar zijn voornaamste geschrift is en blijft toch Het dispuut van de ezel. De inquisitie van die tijd ging echter grondig te werk: van dat dispuut bleven slechts fragmenten over en de volledige tekst kennen we alleen door de Franse vertaling uit 1544. Op basis van fragmenten van de oorspronkelijke tekst en de Franse versie werd een reconstructie naar het Catalaans toe gemaakt, die als brontekst heeft gediend voor deze vertaling.

     Zijn Llibre de bons amonestaments ontstond in 1398 en was een didactisch werk van 428 verzen dat herhaaldelijk werd gepubliceerd en dat gedurende vier eeuwen gediend heeft bij de opvoeding van de kinderen. Het bevat echter ook een aantal fameuze satirische verzen over de macht van het geld. Uit hetzelfde jaar dateren de Cobles de la divisió del regne de Mallorques, bestaande uit 123 strofen van acht zevenlettergrepige verzen die de politieke situatie op Mallorca op de korrel nemen. In dezelfde lijn schreef hij nog een aantal profetieën over de politieke omstandigheden van de Aragonese kroon (tot het begin van de achttiende eeuw bestond deze politieke entiteit, die we met onze hedendaagse opvattingen een confederatie kunnen noemen, en waarvan verschillende gebieden deel uitmaakten: het koninkrijk Aragon, Catalonië, Valencië, de Balearen, en – met wisselende omstandigheden – Sicilië, Napels, Sardinië).

     Het dispuut van de ezel volgde dan in 1417 of 1418. En ten slotte zag in 1420 zijn Tuhfat al-arib fi radd ‘alà ahl al-Slib (Geschenk van de verlichte mens om de aanhangers van het kruis te bestrijden) het licht, een al dan niet fictieve autobiografie van zijn bekering tot de islam, gevolgd door een vroom verhaal over de twee koningen die hem in bescherming namen, alsook een synthese van zijn argumentatie tegen het christendom. Van dit werk bestaan er tal van manuscripten en vier drukken in het Arabisch en drie in het Turks.

     Het dispuut van de ezel bevat twee duidelijk verschillende delen die ieder vanuit de beide tradities die de auteur kende, werden opgebouwd, namelijk de christelijke en de mohammedaanse. Om zijn verhaal in een herkenbare omkadering te plaatsen heeft Anselm Turmeda beroep gedaan op een bestaand thema uit de dierenliteratuur: de verkiezing van een nieuwe koning der dieren. Heel handig introduceert hij zichzelf in die bekende context door zich te laten ontdekken en zo als ik-persoon opgenomen te worden in de narratieve wereld van de dieren. Hem wordt ten laste gelegd dat hij de mening verspreidt dat de mens boven de dieren verheven is. De vijandigheid van de dieren is dan ook zeer groot en agressief. De koning heeft hem echter een vrijgeleide toegekend en hem in bescherming genomen. ‘Fra Anselmus’ – zo wordt hij aangesproken – krijgt de kans zijn leven te redden door een dispuut aan te gaan met een van de dieren uit het gezelschap. Dat wordt de ezel, opzettelijk uitgekozen vanwege zijn armtierig uitzicht, en niet bepaald beschouwd als de snuggerste in dat dierenrijk, wat op zich al een belediging inhoudt tegenover Anselm Turmeda. De argumenten volgen elkaar op, en de ezel weerlegt telkens de bewijsgronden die hij voorgelegd krijgt. De argumentatie baseert zich vooral op de visies die de middeleeuwse mens had van zowel het ondermaanse als van het hemelruimtelijke wereldbeeld: het hele arsenaal van toenmalige kennis op alle tereinen komt hierbij aan bod. Na ook het woord toegekend te hebben aan de dieren van de laagste orde (de bedwants, de vlo, de luis, de vlieg, de tandworm), en nadat fra Anselmus op een bepaald ogenblik argumenteert dat de superioriteit van de mensen ligt in het feit dat zij in staat zijn religieuze orden te organiseren, volgt in het tweede deel een batterij satirische verhalen over de christelijke geestelijkheid, die opvalt door de karakterovereenkomst met gelijkaardige voorbeelden uit Boccaccio’s Decamerone. Dat hoeft ons niet te verwonderen, aangezien Anselm Turmeda tien jaar in Bologna verbleef, zowat een kwarteeuw na het ontstaan van Boccaccio’s werk, en allicht kan hij daar kennis gemaakt hebben met een van de hoogtepunten van de toenmalige Italiaanse literatuur.

     Hoewel de dispuutvorm in die tijd vaak gebruikt werd aan de universiteiten met pedagogische bedoelingen – en die in dit werk door Turmeda parodisch werd gebruikt – is het mogelijk dat het voorbeeld van de confrontatie tussen mensen en dieren teruggaat naar deel XXI van de encyclopedie van de politiek-filosofische school die in Basra (nu Irak) was gevestigd in de tiende eeuw. Een andere bron waaraan onze auteur heel wat informatie ontleende over de natuur van de verschillende dieren is Liber de propietatibus rerum, een omvangrijke encyclopedie van de franciscaan Bartholomeus Anglicus (dertiende eeuw). Men zou zich ook kunnen afvragen of Turmeda soms ook niet de verschillende disputen in zijn achterhoofd had, die als valstrik werden georganiseerd aan het Catalaanse hof om publiek de argumenten van het joodse geloof te weerleggen, zoals het meest bekende ‘Het dispuut van Barcelona’ dat gehouden werd tussen Mozes van Girona en de monnik Pau Cristià (deze laatste een bekeerling, zoals zijn achternaam verraadt).

     Pas nadat Turmeda aanhaalt dat God zich in de mens heeft geïncarneerd, geeft de ezel zich gewonnen. In feite gaat het hier om een pyrrusoverwinning van Turmeda, want een redelijke bewijsvoering kan daar niet tegenin gebracht worden, en dit zonder rekening te houden met de waarde die deze redenering kan hebben voor iemand die zich bekeerd had tot een godsdienst die de christelijke Godszoon slechts als een profeet en voorloper bestempelt. Eens te meer valt hier de dubbelzinnigheid op, die ongetwijfeld tot het biografische aspect van de auteur behoort, van iemand dus die mentaal zwalpte tussen beide geloofswerelden, maar die zich ook bewust was van de artificiositeit van de literatuur, wat wijst op een andere mentaliteit die dichter staat bij Boccaccio en Rabelais. Geniaal bij Anselm Turmeda is dat hij zichzelf tot onderwerp van de satire heeft gemaakt.

     Als Turmeda de hoop had gekoesterd dat de inquisitie zijn werk zou toelaten vanwege de christelijke inslag van het dispuut, dan heeft hij zich in dit geval toch misrekend. Wedden op twee paarden was in zijn geval te flagrant. Van een boek geschreven door een renegaat die door de vijand met alle eer werd overladen kon erkenning moeilijk verwacht worden. Zelfs al zag een eerste druk het licht in 1509, dan bleef de vernietigende werking van de censuur doeltreffend.

     Hoe dan ook: Anselm Turmeda overleed in Tunis, waar hij als mohammedaanse heilige – met de naam Abdalla – nog vereerd wordt.

 

 

     HET DISPUUT VAN DE EZEL

    

     Als je toch ʼt slechte pad inslaat

     en telkens weer zonde begaat,

     zal ik je hier eens verhalen

     wat ʼk ervoer in groene dalen.

    

     Ik liet me in de schaduw neer,

     mijn oog gleed over wat de Heer

     aan schoonheid voor mij had ontvouwd,

     maar eenmaal alles overschouwd,

     was de slaap mij net iets te vlug

     af, en belaagde hij mijn rug.

     Ik zag toen, terwijl ik droomde,

     hoe de dieren samenstroomden.

 

     De oorzaak en de reden van de samenkomst van al die dieren was het overlijden van hun koning. Dat was een nobele leeuw die rechtschapen, heldhaftig en moedig was geweest, en vervuld van wijsheid. Vanwege al die goede eigenschappen waren alle dieren in het algemeen, en ieder van hen in het bijzonder, zo voldaan geweest over zijn regering en waren ze hem ten zeerste toegedaan en voelden ze voor hem een diepe genegenheid, dat zij nog liever een eigen jong hadden zien sterven in plaats van de koning. En het verdriet en de weemoed waren nog groter omdat de koning was heengegaan zonder wettige erfgenaam. Omdat zij zoveel vriendschap hadden gedeeld met de koning, waren ze nu allen samengekomen om, zoals ze overeen waren gekomen, een koning te kiezen uit een van zijn verwanten.

     Een gracieus paard, dat Dieprode Paard met de Korte Oren werd genoemd, stond toen op en zei het volgende:

     ‘Voortreffelijke en edele heren, u weet allen beter dan ik dat de almachtige God heeft beschikt dat welk lichaam ook met zijn ziel moet sterven als het eenmaal de tijd heeft volbracht die Hij heeft vastgelegd. De dood is niets meer dan de scheiding van de ziel van het lichaam wanneer dit terugkeert naar de plaats waar het vandaan komt. En het lichaam verandert en keert na deze scheiding terug naar de stof waaruit het gemaakt is. Dat is, zoals de grote filosoof Aristoteles zegt: alle dingen veranderen en keren terug naar de dingen waaruit ze zijn samengesteld. En deze goddelijke wet heeft zich voltrokken in onze heer, de koning, God hebbe zijne ziel. En dat God ons, in Zijn barmhartigheid, voldoende gezond verstand en bescheidenheid geve, zodat wij, middels Zijn genade, een nieuwe koning mogen kiezen die ons beschermt en behoedt. Dat ieder van u, dus, hoogvereerde heren, zijn voornemens kenbaar make en zijn steun verlene aan een van de voortreffelijke en machtige heren, verwanten en bondgenoten van Zijne Majesteit, die u meent het meest in aanmerking te komen.’

     Nadat hij dit alles had gezegd, nam hij opnieuw zijn plaats in.

     Na de woorden van de raadgever te hebben aangehoord, werd er overleg gepleegd en kwamen alle dieren tot een akkoord en vertrouwden hun besluit toe aan een van de voornaamste raadsheren van de overleden koning, genaamd Wit Paard met het Vergulde Zadel, die zeer verstandig en wijs was en erg geliefd bij alle dieren, opdat hij de keuze zou maken. Ze gingen ermee akkoord dat degene die door het Wit Paard tot koning werd verkozen hun koning en natuurlijke heer zou zijn, en dat, als iemand er zich tegen verzette, deze meteen en zonder mededogen zou worden onthoofd. Nadat ze het hierover met zijn allen eens waren geworden, stond het Wit Paard met het Vergulde Zadel op en sprak de volgende woorden:

     ‘Hooggeëerde en bescheiden heren, mijn klein en zwak denkvermogen is weliswaar niet geschikt om een zo verheven en belangrijke taak, zoals het verkiezen van een koning die ons beschermt en behoedt, uit te voeren, maar omdat het u allen, die zeer edel en wijs bent, desondanks behaagt dat ik uiteindelijk deze opdracht zou vervullen en ik tot een besluit zou komen, verkies, verorden en bevestig ik in naam van de almachtige God als Zijne Majesteit de koning onze vorst de Rode Leeuw met de Lange Staart, zoon van de volle neef van onze overleden heer en koning. Ik beschouw hem dan ook als onze waarachtige heer en onze behoeder zolang hij leeft.’

     Nadat hij was uitgesproken, zegden alle dieren luidkeels en eenstemmig dat ze het eens waren met deze uitverkiezing die hun behaagde en waarmee ze ten zeerste ingenomen waren, want hij verdiende het door waardigheid en rechtvaardigheid.

     Blij en vergenoegd begonnen hierna sommige dieren te dansen en te zingen, andere te springen, en weer andere gooiden om het verst stenen of staven, dit al naargelang zijn gestel en zijn aard. Dat alles in het aanschijn van de nieuwe koning. Door al dat luidkeelse gezang, kabaal, getier en de herrie die ze veroorzaakten, werd ik uit mijn slaap gewekt, en zodra ik goed en wel wakker was, werd ik bevangen door angst alsof ik buiten mezelf was. En ik hoorde de volgende woorden:

     ‘Allerhoogste en machtige heer, dat adamskind daar onder de boom is van Catalaanse afkomst, geboren in Palma de Mallorca, en zijn naam is fra Anselmus. Hij is zeer onderlegd in alle wetenschappen, in het bijzonder in astrologie, en hij is ambtenaar bij de Tunesische douane in dienst van de grote en edele Mulai Bufret, koning en heer onder de adamskinderen, en hij is ook zijn stalmeester.’

     ‘Konijn,’ zei de koning, ‘hoe ken je zo goed zijn naam en zijn stand?’

     ‘Heer,’ zei het konijn, ‘ik ben ooit, samen met andere verwanten van mij, gevangene van hem geweest.’

     De koning zei hierop: ‘Ik zou wel eens graag weten hoe jij en je verwanten gevangen geraakten en hoe jullie in zijn macht kwamen.’

     ‘Heer,’ zei het konijn tot de koning, ‘ik werd geboren op het eiland Sardinië. Op een dag bevond ik me in de omgeving van het kasteel van Càller, op een eiland in het midden van de kasteelvijver, dat Bochel wordt genoemd. Nu gebeurde het dat de kastelein, de heer Acard de Mur, de kroning wilde bijwonen van koning Ferdinand van Aragon, die toen de heerschappij over dat koninkrijk had bekomen, en hij scheepte in op een schip dat naar Catalonië voer. Gedwongen en door het slechte weer voortgestuwd kwam hij terecht in de haven van Tunis. Hij wilde echter geen voet aan land zetten en hij stuurde daarom een dienaar van hem uit om voorraad en proviand op te doen. Zodra de dienaar zich bij de douane meldde, deed hij het verhaal aan fra Anselmus van hoe de kastelein daar geraakt was, voortgestuwd door de storm, en hoe hij hem uitgestuurd had om, bij gebrek aan proviand, de nodige voorraad op te slaan, zodat zijn mensen zich konden opknappen. Nadat fra Anselmus het verhaal had gehoord uit de mond van de dienaar van de kastelein, zei hij hem, na hem voorzien te hebben van flink wat mondvoorraad: “Neem deze mondvoorraad en breng hem naar uw heer en doe hem de groeten van mijnentwege. En zeg hem ook dat ik hem verzoek deze kleine dienst te willen aanvaarden afkomstig van zijn nederige dienaar, fra Anselmus. En geef hem ook deze geldstukken, en mocht hij nog iets meer nodig hebben, dan moet hij het maar vragen, want al wat hij wenst zal hem bezorgd worden.” Hierna begaf de dienaar zich terug naar het schip en vertelde zijn heer wat fra Anselmus hem had gezegd, en hij gaf hem ook het geld. De kastelein was hierover ten zeerste in zijn schik en meteen schreef hij een brief om hem te danken voor zijn gunsten en de goede diensten die hij hem bewezen had. Hij stuurde hem die brief, ook al kenden zij elkaar helemaal niet.

     Toen de kastelein was teruggekeerd van de kroning, stuurde hij fra Anselmus, per schip dat naar Tunis voer, een cadeau, een ensemble dat uit verscheidene mooie schenkingen bestond, waaronder een prachtige houten kooi waarin ik mij, samen met 23 verwanten, bevond. Zodra de monnik het cadeau had ontvangen, bracht hij ons onder in een tuin, waar we een tijdje als gevangenen leefden, tot ik met mijn verwanten een diep gat in de grond groef onder de omheining en wij zo aan de andere kant geraakten om op die manier te ontsnappen. Zo komt het, allerhoogste en machtig vorst, dat ik weet wie hij is, hoe hij heet en tot welke stand hij behoort.’

     Nadat de koning naar het konijn had geluisterd, zei hij: ‘Zeg eens, konijn, die fra Anselmus, is dat degene die zo verstandig en verwaand is en die vertelt en de opvatting verkondigt dat de adamskinderen meer uitgelezen zijn en tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan wij, dieren? En nog meer heb ik horen vertellen: dat hij zegt en bevestigt dat wij alleen geschapen zijn om hun ten dienste te staan, en dat zij onze heren zijn en wij hun vazallen. En nog tal van andere leugens en dwaasheden vertelt hij. Hij gaat tegen ons tekeer zonder ook maar een bewijs of precies argument aan te brengen. De andere adamskinderen geven hem bovendien gelijk en zij geloven vastberaden dat wat hij tegen ons aanvoert, de waarheid is.’

     Het konijn antwoordde: ‘Heer, hij is het die dat alles zegt wat men u heeft verteld. Ik heb het hem trouwens met mijn eigen oren honderdmaal horen zeggen toen ik nog in zijn macht was.’

     Na wat het konijn had gezegd, wendde de koning zich plotseling tot zijn hoge vrijheren en dienaren die rond hem stonden en hij zei hun:

     ‘Wat zeggen jullie daarvan, van die beestige fra Anselmus, en wat denken jullie over zijn waanzinnige praat?’

     Toen antwoordden de vrijheren en dienaren van de koning eenstemmig:

     ‘Heer, wat hij tegen ons zegt en verkondigt, is omdat hij inderdaad gek is of kort van begrip, ofwel komt dat omdat hij verwaand en onstuimig is. Zoals u echter maar al te goed weet, heer, spreekt men vaak kwaad en worden valse getuigenissen afgelegd tegen iemand die desondanks eerlijk en onschuldig is. Als u het goed vindt, heer, zullen wij hem meteen tot hier brengen in uw koninklijk en verheven aanschijn en zullen we hem ondervragen over die aangelegenheden, en als hij zegt en erkent dat wat hij zegt de waarheid is, zullen wij hem vragen het te bewijzen, want zoals de wijsgeren zeggen: als iemand iets wil aantonen, volstaat het niet te zeggen “zo is dat”, maar wij geloven dat er bewijzen moeten worden aangevoerd om aan te tonen dat wat hij over ons zegt waar is. Aan uw koninklijk hof zijn er enkele scherpzinnige en vindingrijke dieren die het tegen hem zo goed zullen kunnen opnemen dat hij er niet goed van zal zijn en hij zal op alles alleen maar ja en amen kunnen zeggen. En dat omdat zij beschikken over een scherpzinnig verstand.’

     Het antwoord dat de koning te horen had gekregen beviel hem zeer en meteen stuurde hij een van de voornaamste huisbewaarders van het hof uit, die de Valse Vos met de Korte Poten werd genoemd, om mij te halen. Toen hij bij mij aankwam, zei hij, na de wederzijdse begroetingen, het volgende:

 

     Anselmus, broeder, je welsprekendheid

     krijgt vandaag een enige gelegenheid.

     Ik wil je spreken met alle hoffelijkheid

     zodat je mij geloven kunt zonder veel nadrukkelijkheid.

    

     Meld je dus maar aan voor de verhevenheid

     van onze koning in al zijne majesteit,

     zo niet mag ik met de nodige krachtdadigheid

     je onderwerpen aan zijne wettelijkheid.

 

     Toen ik de woorden van de vos had gehoord en ik inzag dat het, als ik me niet zou onderwerpen aan zijn bevelen, wel eens slecht voor me kon aflopen, vooral omdat ik me alleen tussen zovele dieren bevond die het trouwens met z’n allen niet op mij begrepen hadden. Ik zei dus in mezelf dat het beter was en van wijsheid getuigde om mee te gaan zonder enige discussie. Ik antwoordde dus maar met de volgende woorden:

    

     Bewaarder van het leeuwenhof,

     ik heb wel zin in deze reis,

     als voordeel heb ik toch de lof

     die mijn leer verdient in peis;

     daarin staat dat Gods verhevenheid

     de macht geeft aan de hele mensheid

     de dieren goed te doen, of kwaad,

     omdat zijn wezen boven allen staat.

    

     Eer ik echter met je mee wil gaan,

     wens ik zekerheid, als onderdaan.

 

     Na kennis te hebben genomen van mijn antwoord, begreep hij dat ik om een vrijgeleide en bescherming vroeg, vertrok hij ijlings, en na nog geen halfuur kwam hij al terug naar mij toe met het vrijgeleide dat zeer goed was opgesteld zoals ik had gewild en gevraagd.

     Nu ik in het bezit was van het vrijgeleide, stapte ik op met de huisbewaarder. Toen ik voor de koninklijke heerlijkheid van de vorst van de dieren stond, maakte ik een reverence zoals past tegenover een vorst en heer. Zodra de dieren me zagen, verzamelden ze zich allen rondom de koning in de mening dat hij tegen mij een meedogenloos vonnis zou uitspreken. Maar omdat de koning erg verstandig, wijs en rechtvaardig was, liet hij me, toen hij me ontwaarde, naderbij komen, en hij liet me plaatsnemen tussen de voornaamste vrijheren van zijn hof. Omdat hij zeer begrijpend en vernuftig was, dacht hij allicht in zichzelf dat ik misschien, uit vrees of uit schaamte tegenover zoveel dieren, niet zou kunnen of durven te antwoorden op de vragen die ze mij zouden stellen. Daarom toonde hij zich zeer minzaam tegenover mij, en met een goedhartige, opgewekte en goedlachse houding, begon hij mij over verschillende zaken te ondervragen die niets te zien hadden met het onderwerp waarover het eigenlijk ging, zoals gebruikelijk was bij elke nobele koning en heer, opdat ik me op mijn gemak zou voelen om met hem en de vrijheren te spreken en ik niet bang zou zijn om de gestelde vragen te beantwoorden. Mijn hart was hierover niet weinig verheugd en blij. Ik loofde God omdat Hij mij had bevrijd van het lawaai en het tumult dat was ontstaan bij mijn aankomst, en de angst die mij toen overviel ging over en ik begon opnieuw moed te scheppen. Na een wijle met de koning te hebben gepraat, zoals ik jullie heb verteld, zei de koning mij plotseling op een welvallige en hoffelijke wijze: ‘Fra Anselmus, tot onze koninklijke kennis zijn geruchten gekomen die zeggen dat je verkondigt en volhoudt, predikt en bevestigt dat jullie, adamskinderen, tot een hogere rang en een meer verheven stand behoren dan wij, dieren. En wat bovendien nog erger is: je zegt en bent er vast van overtuigd, en de leer die je verkondigt doet het je geloven, dat de almachtige God ons slechts heeft geschapen om jullie ten dienste te staan; en dat jullie van rechtswege onze heren zijn, en wij jullie wetmatige onderhorigen. Maar dat geloven wij helemaal niet, en we begrijpen evenmin hoe een dergelijke enorme waanzin en laaghartigheid het voortbrengsel kunnen zijn van je verheven kennis en wijsheid. We willen dan ook geloven dat die slechte reputatie niet door jou wordt verspreid, maar wel door iemand die een vijand is van jou die je kwaad wil berokkenen en je goede en eerbare reputatie tracht te bezoedelen. Daarom verzoeken wij je ons van deze twijfel te verlossen. Dat is dan ook de voornaamste reden waarom wij je hier hebben ontboden voor ons koninklijke aanschijn.’

     Na deze hoffelijke woorden van de koning te hebben beluisterd, antwoordde ik hem als volgt: ‘Hooggeëerde en machtige vorst en heer, uwe koninklijke Hoogheid mag aannemen dat al wat over mij werd verteld waar is. Ik vertrouw nu op uwe grote rechtvaardigheid, want ik weet dat u zo’n edele heer bent en zo vastberaden dat genegenheid noch haat u van de rechte weg zouden kunnen doen afdwalen en dat u nooit een tenlastelegging zou uiten zonder enige grond. Daarom wil ik dat u weet dat ik vast geloof in de overtuiging dat wij, adamskinderen, tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan jullie, dieren. U hoeft het niet erg te vinden, heer, want ik ben vastbesloten dat aan te tonen met sterke argumenten, als het tenminste uwe hoge Heerlijkheid behaagt mij gehoor te willen verlenen, en ik smeek u tegen mij niets met woede en opwinding te ondernemen. Ik bid u deze woede en opwinding achterwege te laten en rede en rechtvaardigheid voorop te laten gaan. Want de grote wijsgeer Cato zegt dat de woede het begripsvermogen benevelt, zodat de waarheid niet wordt ontwaard. Als ik echter niet kan aantonen dat mijn opvatting de juiste is, doe dan met mij wat uwe hoge Heerlijkheid moge behagen.’

     Met veel moeite had ik mijn toespraak kunnen afmaken, want alle dieren riepen opgewonden en eenstemmig luidkeels: ‘Dood aan de verrader, fra Anselmus!’

     Gelukkig was er de luipaard, die grootmaarschalk van de koning was, genaamd eerwaarde Marteko met de Gevlekte Huid, die met een sprong voor de dieren ging staan en brulde: ‘Stel jullie niet aan als verraders, want de koning heeft hem onder zijn hoede genomen!’ Anders was mijn leven ongetwijfeld helemaal om zeep gegaan.

     Zodra de dieren hoorden dat ik de bescherming van de koning genoot, werden ze stil en kwamen tot rust, hoewel ze bleven mompelen en een lang gezicht trokken. De koning, die mijn woorden had gehoord, trok zich terug en overlegde een halfuur met de zijnen. Daarna wendde hij zich tot mij en zei: ‘Fra Anselmus, ik en mijn raadsheren en vrijheren hebben uw onbezonnen en dwaas antwoord gehoord, waarvoor je, als er niet de bescherming was die ik je beloofd heb, zwaar bestraft zou kunnen worden, zodat geen mens of adamskind die daar kennis van zou krijgen het ooit zou aandurven de stoutmoedigheid of de verwaandheid op te brengen zulke vreselijke woorden uit te spreken of te verspreiden zoals je hebt gezegd in je misplaatst en verderfelijk antwoord. Welnu: omdat ons koninklijke hof tegenover misdadigers meer geneigd is tot barmhartigheid dan veroordeling, verleen ik je toch, met instemming en goede wil van mijn raadgevers, vrijheren en verknochte dienaren, hierbij het gehoor waar je om verzocht hebt.

     Opdat je duidelijk zou begrijpen dat wij dieren tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan jullie, en dat wij van rechtswege en wetmatig uw heren moeten zijn en jullie dus onze onderhorigen en onderdanen, willen wij en machtigen wij terstond, na enkele edele en vernuftige dieren niet in aanmerking te hebben genomen die je met twee of drie woorden het zwijgen zouden opleggen en je doen verstommen, de Schurftige Ezel met de Lange Afgesneden Staart je van antwoord te dienen, aangezien hij aan ons hof het stompzinnigste en onbeduidendste dier is. Het is bijgevolg tot hem dat je je zult richten en hem alle argumenten voorleggen die je hebt om te bewijzen dat hetgeen je tegen ons hebt gezegd, waar is.’

     Ik draaide me dus om en ik zag toen naast mij een armzalige, ongelukkige, lusteloze, schurftige ezel, die er helemaal afgetakeld uitzag en geen staart had, voor wie men, denk ik, geen cent zou gegeven hebben op de jaarmarkt van Tarragona. Ik voelde me belachelijk gemaakt omdat ik duidelijk begreep dat ze me voor de gek hielden. Ik moest het, hoe dan ook, en meer uit vrees dan uit schaamte, aanvaarden en berustend dulden. De schurftige ezel sprak mij meteen aan als volgt: ‘Fra Anselmus, hoewel je niet waard bent dat ik je van antwoord dien, maar ik, als goede onderdaan en zijn getrouwe dienaar, het onvoorwaardelijke bevel van de allerhoogste en machtige vorst, onze heer en koning, niet mag tegenspreken, moet ik het nakomen en in acht nemen. Daarom wil ik, in naam van God, een voor een de argumenten en bewijzen die je verdedigt aanhoren, en wanneer je ze hebt uiteengezet zal ik erop ingaan volgens de raad die God mij zal geven.’

     Deze woorden krenkten mij als lanssteken aangezien ik met misprijzen werd behandeld door zo’n gemeen beest als die onooglijke, botte Ezel. Om mijn voornemen echter te verwezenlijken, in de wetenschap dat, volgens de Heilige Schrift, wie lijdt nog niet overwonnen is, vuurde ik, de ergernis en droefgeestigheid maar onder mijn hoofdkap latend, de volgende woorden op de Ezel af.

 

     (Hier begint het eerste argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, het eerste bewijs en argument dat wij, adamskinderen, tot een hogere rang en een meer verheven stand behoren dan jullie dieren, is de schoonheid van onze gestalte en aanzicht. Want wij hebben welgeschapen en welgevormde lichaamsdelen, harmonisch en verhoudingsgewijs verdeeld en die met elkaar in overeenstemming zijn. Zo hebben grote mensen lange benen en lange armen. En evenredig zijn dan de andere lichaamsdelen, naargelang de lengte van het lichaam. Kleine mensen hebben dus korte benen en korte armen. Daarom is iedereen evenwichtig geschapen overeenkomstig de gestalte van zijn lichaam. Jullie, dieren, daarentegen zijn niet zo gebouwd, want jullie lichaamsdelen zijn niet in verhouding tot elkaar, en ik zal dat nu even klaar en duidelijk uitleggen. De olifant heeft, zoals jullie duidelijk kunnen zien, een zeer groot lichaam, grote flaporen, maar kleine ogen. De kameel heeft een groot lichaam, een lange nek, lange poten, kleine oren en een korte staart. De ossen en stieren zijn zeer behaard en hebben een lange staart, en missen vooraan kaken. De hamels zijn ook zeer behaard, hebben een lange staart maar hebben geen baard. De konijnen hebben, hoewel ze klein zijn, langere oren dan de kameel. En zo zullen jullie tal van dieren aantreffen, oneindig veel zelfs, met hun lichaamsdelen in wanverhouding, en hiermee wordt duidelijk aangetoond dat wij, adamskinderen, van een hogere rang zijn dan jullie, dieren.’

     ‘Fra Anselmus, door het misprijzen waarmee je over die dieren hebt gesproken bega je een grote zonde. Zo onschuldig ben je nu ook weer niet dat je niet zou weten dat wie een werk misprijst of er kwaad over spreekt hiermee de meester of de schepper van dat werk met misprijzen overlaadt. Ben je soms niet bezig kwaad te spreken over de Schepper die hen heeft geschapen? Dat wijst erop dat je begripsvermogen erg beperkt is, waardoor je niets van dat alles begrijpt. Weet echter dat God onze heer alle dieren die je hebt opgenoemd, goed en wijs heeft geschapen. Daarvan legt Moses getuigenis af in Genesis 1, waar hij zegt dat God alles wat hij had geschapen zag en vond dat het goed was, wat betekent dat er niets op aan te merken viel.

     Ik wil er ook op wijzen dat God de olifant heeft gemaakt met grote flaporen opdat hij de vliegen van zijn ogen en zijn muil zou kunnen wegjagen; die muil staat immers altijd open vanwege de grote tanden die naar buiten uitsteken en die God hem heeft meegegeven om zich te kunnen verdedigen. En als je zegt dat hij in verhouding tot zijn lichaam grote ogen zou moeten hebben, moet je weten dat, als de ogen je klein lijken, de kwaliteit van het gezichtsvermogen zo volmaakt en scherp is, dat hij honderd mijl ver kan zien als hij op een hoge berg staat. Vind je soms dat zo’n goed gezichtsvermogen niet in overeenstemming is met zijn lichaam? Toch wel, dus valt er niets op aan te merken. Bovendien moet je weten dat alle dieren ter wereld met grote en uitpuilende ogen een eerder slecht en zwak zicht hebben, en degenen met kleine ogen over een scherp en precies zicht beschikken.

     De kameel heeft de almachtige God, omdat hij lange poten heeft en moet leven van de kruiden op de grond, begiftigd met een lange nek, zodat hij zich helemaal naar beneden kan neerbuigen en eveneens de uiteinden van zijn ledematen met zijn tanden kan schrapen.

     Zo heeft de almachtige God op gelijkaardige wijze alle ledematen geschapen van de dieren waarover je hebt gesproken volgens hun behoeften. Om hierover niet langer uit te weiden, en omdat je het toch niet zou begrijpen, zal ik er niet langer op doorgaan. Met je valse argumenten is het dus niet voldoende om aan te tonen dat je foute mening waar is. Ik zeg je maar dat, zo je een ander argument mocht hebben, je het gerust kunt voordragen, en je zult daarop een uitvoerig antwoord krijgen.’

 

     (Het tweede argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, er is nog een ander argument dat aantoont dat wij tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan jullie: de almachtige God heeft ons voorzien van vijf zintuigen, namelijk het gehoor, het gezichtsvermogen, de reukzin, de smaak en de tastzin. En hoewel Hij ze ook aan jullie heeft geschonken, toch zijn ze niet zo volledig of volmaakt als de onze, omdat Hij ons, samen met de vijf zintuigen, ook begiftigd heeft met een goed geheugen, wat ons toelaat te denken aan de dingen die gebeurd, afwezig en voorbij zijn. Jullie kunnen alleen maar aan het heden denken, waardoor wij tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan jullie.’

     ‘Fra Anselmus, omdat ik, alvorens je te kennen, gehoord heb van de faam die door heel dit gewest de ronde doet over je kennis en wijsheid, en ik je dus een groot aanzien en wijsheid toekende, moet ik je, nu ik je heb horen spreken, beschouwen als een grof en bekrompen iemand. Komaan, Godsman, heb je soms rede en verstand verloren? Zelfs een kind van vijf zou zulke woorden niet durven uit te spreken; het zou zich ervoor schamen alleen al als het eraan zou denken. Maar goed, nu ik zie dat je het geheugen kwijt bent, zal ik je antwoord geven en je uitleggen, als je het tenminste kunt begrijpen, hoe de almachtige God ons, de dieren, eveneens van vijf zintuigen heeft voorzien die volmaakter en vollediger zijn dan die van ieder van jullie, alsook een beter geheugen en herinneringsvermogen.

     Het eerste zintuig is dus het gehoor. Laten we, met je welnemen, fra Anselmus, eens kijken: het gebeurt vaak dat, als een adamskind een dier berijdt, of het nu een paard of een muilezel is doet er niet toe, de vermoeienis toeslaat, vooral in de zomer als het warm is. Hij stijgt dan af om zich te verfrissen en uit te rusten en hij gaat dan zitten in de schaduw van een boom, en hij houdt daarbij het paard of de muilezel bij de teugel. Als er dan iemand langs de weg te voet nadert, zullen paard of muilezel dat horen. Zodra zij de stappen waarnemen, en wetende dat hun meester het niet hoort, willen ze hem er toch opmerkzaam op maken en trekken zij aan de teugel en spitsen de oren terwijl ze de richting uitkijken vanwaar de man komt. Hierdoor is de aandacht van de berijder getrokken, hij staat recht en kijkt in de richting waarheen het paard of de muilezel zijn blik heeft gewend, en zo ziet hij de man die nog een boogscheut ver verwijderd is van de plaats waar hij zich bevindt. En soms gebeurt het dat het paard of de muilezel een wolf of een hond horen aankomen, en dan herhalen zij diezelfde handelingen zo vaak en zo lang tot zij weten dat hun berijder hem kan zien of goed horen. Vergelijk dus even, fra Anselmus, wie het beste of het fijnste gehoor heeft: het paard of de muilezel, die vanop een boogscheut ver een man te voet horen aankomen, of de berijder, die de stappen van de voetganger pas opmerkt als hij voor hem staat en hem begroet, of de hond pas ziet als hij voorbijloopt. Ik zou duizend bewijzen meer kunnen geven, maar om mijn uitweiding niet te lang te maken, zal ik doorgaan met het beantwoorden van je bewijzen en argumenten.

     Het tweede zintuig van de dieren is het gezichtsvermogen. Is er heden ten dage, fra Anselmus, soms een mens ter wereld, met een gezichtsvermogen dat zo volmaakt en helder is dat hij kleine dingen kan zien vanop een mijl afstand? Wel, de arend en de gier zien en ontwaren op meer dan vijftig mijl vanuit de hoogte het konijn of de patrijs, of een of ander levend of dood dier, op de grond. En hoe volmaakt het gezichtsvermogen van de dieren wel is, fra Anselmus, wordt duidelijk in de diepste duisternis waar alles donker is: de adamskinderen kunnen niets zien zonder licht, maar de nobele leeuwen en andere dieren, alle in het algemeen, tot zelfs de katten, de honden en de ratten, zien beter en helderder ʼs nachts dan de adamskinderen bij volle dag.

     Je kunt er meer over te weten komen, fra Anselmus, als je hoofdstuk 22 leest van het boek Numeri, dat handelt over de ezelin van de profeet Bileam, die koning Balac uitzendt om het volk van Israël te vervloeken. En de heer onze God stuurde er een engel op af die, met het zwaard in zijn hand, in het midden van de weg ging staan met de bedoeling hem niet verder te laten gaan. Toen de ezelin de engel zag, werd zij bang en zij bleef pal staan. De profeet, die de engel niet kon zien, gaf haar de sporen opdat de ezelin haar weg zou vervolgen. Maar zij, die de smaad die de profeet haar aandeed niet kon hebben, zei: “Heer, waarom geef je mij de sporen op zulke manier? Je geeft me ervan langs om mij te doen voortgaan, maar ik kan niet verder want er staat een hindernis op de weg.” En hier zegt de tekst, fra Anselmus, dat God de ogen van de profeet opende. En toen hij opkeek, zag hij de engel en hij zei hem meteen: “Vergeef me, want ik wist niet dat je hier stond.” En de engel antwoordde hem: “Als het niet door de ezelin was die bleef staan, zou ik je gedood hebben.” En hierna gaf hij hem van Godswege de order het volk van Israël niet te vervloeken, en zo deed hij. Zeg me nu eens, fra Anselmus, wie beschikt over een goed gezichtsvermogen: de dieren, die niet alleen de tastbare dingen maar bovendien ook de geestelijke zien en ontwaren, zoals de engelen, ofwel jullie, adamskinderen, die slechts de tastbare dingen waarnemen? En ik zou je nog honderdduizend bewijzen meer kunnen voorleggen, maar ik beperk me, om ons dispuut niet te lang te maken, omdat ik vrees dat ik anders onze verheven en machtige vorst, onze geliefde koning, zou vervelen.

     Het derde zintuig van het dier is de reukzin. Is er heden ten dage ergens ter wereld een mens, fra Anselmus, die een aangename of een vieze geur kan ruiken of opsnuiven op een afstand van een steenworp? Wel, de katten en de ratten ruiken en snuiven kaas en ander voedsel op van op de afstand van een boogscheut. En de meester van Propietats,[1]een adamskind als jij, legt hierover nog een belangrijker getuigenis af als hij zegt dat de aasgier de dode lichamen ruikt van honderd mijl ver.

     De kevers leven gewoonlijk van de uitwerpselen van de paarden, de muildieren en de ezels. Wel, let maar eens op als die dieren onderweg hun gevoeg doen: aanvankelijk zul je nergens een kever ontwaren, maar onmiddellijk daarop zul je ze plotseling van overal zien komen opdagen. Hun reukzin is zo fijn dat ze hun voedsel van op tien of twaalf mijl kunnen ruiken en opsnuiven.

     En ik heb nog iets dat nog meer verwondering opwekt, namelijk het feit dat de honden in het algemeen en de hazewinden in het bijzonder – die, zoals je zult moeten toegeven, ook heel wat nobeler zijn – het spoor ruiken van het konijn, de haas of de patrijs en altijd de achtervolging inzetten langs de weg die deze dieren hebben gevolgd. Daartoe, fra Anselmus, is geen adamskind in staat. Integendeel: als de honden, die dieren zijn van onze aard, niet zouden aanwijzen waar het wild zich ophoudt, zouden de mensen het nooit op hun eentje kunnen vinden. Ik laat nu alle andere dingen maar achterwege, want ik vrees dat anders dit dispuut te lang zal uitvallen.

     Het vierde zintuig van het dier is de smaak. Hierbij zul je vaststellen, fra Anselmus, dat, als je goed kijkt, de paarden, de muildieren, de stieren, de hamels en andere dieren bij het grazen van kruiden verschillende smaken uitkiezen en opeten wat lekker en zoet is, maar niet aanraken wat slecht of bitter smaakt. Van dit vierde en van het vijfde zintuig zou ik u meteen honderdduizend bewijzen kunnen aanhalen van hoe de almachtige God ons dieren die gaven heeft geschonken die zelfs vollediger en volmaakter zijn dan bij jullie allen, maar ik laat het hierbij uit vrees dat ik anders de allerhoogste vorst onze heer en koning en de eerbiedwaardige vrijheren zou vervelen, want zij vragen en waarderen korte toespraken die bovendien van kennis getuigen. En wat je zegt over het feit dat de almachtige God je met de vijf zintuigen ook een goed geheugen heeft geschonken met een groter vermogen dan het onze, zodat jullie de dingen uit het verleden kunnen herinneren, en dat Hij zoiets aan ons niet heeft gegeven, zodat wij alleen zouden kunnen denken aan wat zich op het ogenblik zelf vertoont, kan ik alleen antwoorden dat je bewering niet strookt met de waarheid.

     Zoals je uit ervaring weet, kun je vaststellen hoe elke dag de muildieren, de ezels en de runderen, als ze een of twee keer van de wijngaard of de moestuin naar huis lopen, onmiddellijk de terugweg vinden zonder dat iemand hen leidt of de weg wijst. Als jullie daarentegen een of twee keer een weg volgen, vergissen jullie je als jullie terugkeren en lopen jullie verloren.

     Broeder Anselmus, kijk maar eens naar de kleintjes van de zwaluwen, hoe die vliegen en groot worden terwijl de zomer verstrijkt en de winter nadert, en omdat ze zeer teer zijn en bang zijn voor de kou, gaan ze toch met hun ouders overwinteren in de Indische streken, waar het zomer is als het hier wintert. Dat doen ze om het altijd warm te hebben. Na de lente, die gematigd is tussen warm en koud, komen de zwaluwen weer naar onze streken. Dan zul je ze recht naar hier zien komen en ze vrolijk en uitgelaten horen zingen terwijl ze zich begeven naar de huizen en de plaatsen waar de nesten zich bevinden die ze het vorige jaar hebben achtergelaten, en daar zullen ze opnieuw nieuwe nesten bouwen om erin uit te rusten en de kleintjes groot te brengen. En daarna, eens de zomer voorbij, keren ze allen rechtstreeks terug naar de Indische streken zonder de weg te verliezen of zich ook maar van richting te vergissen, en zo trekken ze van hier naar ginder of van ginder naar hier. Altijd herinneren ze zich waar ze thuis horen.

     Iets dergelijks doen de tortelduiven, de ooievaars en tal van andere vogels, maar als ik je nu zou moeten uitleggen hoe ze de heen- en terugreis uitstippelen, zou dat te veel tijd in beslag nemen. Het zou eveneens heel wat moeite kosten om uit te leggen hoe ze met veel toewijding en orde hun soortgenoten bijeenbrengen om samen de weg af te leggen en onderweg allen tezamen neerstrijken voor de nachtpauze. De kraanvogels, bijvoorbeeld, geven, als de tijd van vertrek nadert, twee of drie onder hen de opdracht te schreeuwen, wat ze, hoog in de lucht, veertien of twintig dagen luidkeels doen, en zo verzamelen ze zich om naar de warme landen te gaan overwinteren. Hierover vertel ik dus nu niets meer.

     Hetzelfde gebeurt echter niet met jullie, fra Anselmus. Als iemand van jullie, afkomstig uit Mallorca, zich naar Barcelona zou begeven en daar door een vriend bij hem thuis uitgenodigd werd, zou hij, na zijn terugkeer op Mallorca en een volgende keer naar Barcelona zou gaan, in de meeste gevallen de straat vergeten zijn waar dat huis van zijn vriend zich bevindt die hem het jaar daarvoor had uitgenodigd. En als hij er bij de inwoners van Barcelona niet zou om vragen, zou hij het nooit terugvinden.

     Wie heeft dus, fra Anselmus, het beste geheugen: wij, dieren, of jullie, mensen? Als je hier dus niets anders kunt tegenin brengen, zeg het me maar, want met wat je hebt verteld is het niet voldoende om aan te tonen dat God jullie met een beter geheugen en herinneringsvermogen heeft begiftigd dan ons, hoewel het tegendeel blijkt uit wat ik je heb verteld en uiteengezet. Laten jullie je niet voorstaan de zon te kunnen afdekken met een zeef, want daar zouden jullie zeker niet in slagen.

 

     (Het derde argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, aangezien de argumenten die ik voordien heb uiteengezet je niet bevallen, zal ik je nu met doorslaande argumenten aantonen dat wij, adamskinderen, tot een hogere rang en meer verheven stand behoren dan jullie, dieren, en dat het passend is dat wij de meesters zijn en jullie onze vazallen en onderdanen. Dat is nu eenmaal het gevolg van onze kennis en ons groot verstand dat kan bogen op een scherpzinnig begripsvermogen en een verscheidenheid aan wetenschappen, alsook van goede raad en voorzichtigheid die wij in acht nemen en onderhouden bij ons bestuur, onze handelingen, onze wederzijdse omgang en verschillende wetten, waardoor wij het rechte pad bewandelen, en het verkeerde mijden en ontwijken. Wie het rechte pad bewandelt en goede werken beoefent, wordt beloond, maar wie in de tegengestelde richting gaat, wordt gestraft in overeenstemming met het begane kwaad. Jullie hebben echter niets van dat alles, want als redeloze beesten gedragen jullie je als dusdanig, zonder dat er in jullie daden ook maar iets redelijks aan te wijzen valt.’

     ‘Ach, beste vriend, het behoort tot de wijzen dat ze eerst nadenken alvorens te praten. Jij doet het echter net andersom, want je praat alvorens na te denken, wat een enorme en hovaardige dwaasheid is, vermengd met de grootste weerzinwekkendheid. Ik bedoel hier niet onze grote en aanzienlijke dieren, maar verwijs naar de kleinsten bij wie je evenveel of zelfs meer wijsheid, bescheidenheid, scherpzinnigheid van geest en verstand zult aantreffen, en meer omzichtigheid dan bij jullie. Wij hebben verschillende wetten en gebruiken die bepalen dat wie zich niet gedraagt zoals het hoort, gestraft wordt, en dat wie goed handelt, beloond wordt, zoals ik je zal uitleggen volgens mijn geest en begripsvermogen, als je grofheid dat tenminste kan begrijpen. Luister dus goed naar wat ik je ga zeggen.

     Het eerste van de kleine en scherpzinnige dieren is de bij, en als je ze aandachtig bekijkt, fra Anselmus, zul je vaststellen hoe het eraan toegaat in hun verblijven onder leiding van hun koning, die onder zijn onderdanen leeft en aan wie zij gehoorzaamheid zijn verplicht. Later, in de lente en de zomer, plegen ze allen overdag, en ook ’s nachts als de maan schijnt, uit te vliegen om met hun handen en voeten uiterst omzichtig was van de bladeren en de kruiden te verzamelen, en daarna halen ze honing uit de bladeren en bloemen van de kruiden, de bomen en andere planten. Met de was maken ze hun woonsteden en verblijven op verschillende manieren: sommige rond, andere driehoekig; weer andere maken ze met vijf of zes kanten om er in te wonen en te leven; andere dienen als voorraadkamers en ruimtes om het voedsel en de voorraden voor de winter in onder te brengen, en nog andere als vertrekken om er hun kinderen te voeden en er in de winter te slapen, maar ook deze schikken ze als voorraadkamers en magazijnen. Als ze eenmaal gevuld zijn met honing, sluiten ze die af met een stevig wassen deksel, zodat niemand erbij kan tot de winter. Dan eten ze allen, zonder enige persoonlijke aanspraak of voorrecht te doen gelden, in gemeenschap. Als de winter voorbij is, keren ze terug naar hun bezigheden zoals voordien. Hun regels zijn dusdanig dat, als ze niet op tijd binnen zijn, ze buiten blijven slapen. Wie kwaad berokkent wordt gestraft, en soms wordt hun een voet, een hand of de kop afgehakt al naargelang de misdaad het vereist en verdient; de afgesneden delen worden dan geplaatst langs de gebruikelijke wegen met de bedoeling een voorbeeld te stellen voor de andere bijen, opdat ze het goede in acht zouden nemen en zich ver zouden houden van het kwaad.

     De wespen doen net hetzelfde; ze verzamelen alleen geen honing, en ook hun koningen gedragen zich op dezelfde manier. Als ik zou beginnen te vertellen over de vernuftige bouwsels die in hun woonsteden zijn aangebracht om hun kinderen te voeden en hoe ze zich tegen de kou en de hitte beschermen in de bossen en de schaduwplekken, zou ik te lang gaan uitweiden, zodat ik het hier maar bij laat. Vind je dus niet, fra Anselmus, dat de bijen wijs en vernuftig zijn? Ongetwijfeld wel, en je zult het met geen enkel argument kunnen tegenspreken.

     Een ander klein en fijnzinnig dier is de zeer wijze en verstandige mier. Salomon, een van de meest wijze en verstandige adamskinderen die onder jullie heeft geleefd, zegt in het boek dat hij heeft geschreven, namelijk in hoofdstuk zes van ‘Spreekwoorden’, over de wijsheid en de ervaring van de mier: “O, luiaard, kijk naar de mier en leer van haar verstand en bescheidenheid, en zie hoe zij zich in de zomer inspant om voedsel te vergaren met de bedoeling in de winter te kunnen uitrusten en zo blij en verheugd te zijn.” Kijk nu toe, fra Anselmus, en volg nu zelf hoe zij de verschillende types en soorten van woonsten en verblijven onder de grond met verstand en doordacht bouwen, sommige in de lengte, andere weids, de een om erin te wonen en te verblijven, de ander als voorraadkamer en magazijnen om er het voedsel en de wintervoorraden in onder te brengen, en zij vullen ze met tarwe, gerst, met linzen, bonen, kikkererwten en andere mondvoorraad. En als toevallig de eetwaren nat worden omdat de plaats vochtig is of het regent, brengen ze die naar buiten als het mooi weer is of als de zon schijnt, zodat ze kunnen drogen. Als ze dan droog zijn, dragen ze die naar de voorraadkamers en de magazijnen terug waar ze voordien lagen. En ze breken in de zomer de tarwekorrels in tweeën om te vermijden dat deze etenswaren zouden ontkiemen door de warmte en de vochtigheid, die beide de oorzaak van de kieming zijn. En de gerst, de bonen, de linzen ontdoen zij van hun pel. Door hun verstand en bescheidenheid weten zij zeer goed dat de in tweeën gedeelde tarwekorrel, de gepelde gerst, bonen en linzen nooit kunnen ontkiemen.

     Bovendien staan zij ’s zomers zeer vroeg op en verlaten zij hun nest om voedsel te gaan zoeken. En het eten dat elkeen vindt, spreken zij voor niets ter wereld aan, hoe groot hun honger ook moge zijn, maar zij brengen het plichtsgetrouw naar het nest om het gemeenschappelijk te verorberen, zonder ook maar enige persoonlijke aanspraak.

     Bovendien, als een van die mieren een grote voorraad voedsel aantreft, keert zij met een korrel als monster terug naar de plaats waar haar metgezellinnen zich ophouden, en dan gaan ze ofwel allen tezamen, ofwel de grote meerderheid van hen met haar mee, opdat zij hun de plaats zou aanwijzen, en dan dragen zij die etenswaar naar het nest. Meer nog: als een van hen een omvangrijke hoeveelheid voedsel vindt, zoals een stuk van een raat of iets dergelijks, keert zij, zodra zij merkt dat zij zo’n omvangrijke vracht niet alleen kan sjouwen, naar het nest terug en brengt zij de andere mieren ervan op de hoogte. Dan gaan zij allen tezamen, of toch degenen die in het nest zijn, met haar mee naar de plaats van die etenswaar, en als zij het samen kunnen voortrollen of dragen, nemen zij het in zijn geheel mee; zo niet verdelen zij het in verschillende stukken, en elkeen draagt er een van naar het nest. Als zij er aankomen, vragen de andere mieren hun waar de plaats is van dat eten dat die mier heeft gevonden; nadat hun eenmaal de tekens van de weg zijn aangewezen, trekken zij erheen, de een achter de ander. En als zij een mier tegenkomen die eten draagt naar het nest, houden zij haar eerst tegen en zij zoenen elkaar, zoals jullie Catalaanse vrouwen doen als zij, op de terugweg van de biecht, een kennis ontmoeten. Daarna vragen zij naar de weg, volgen de tekens tot zij bij de etenswaar aankomen en zij dragen hun deel naar het nest zoals hun metgezellinnen.

     Ze worden altijd geleid door de onderworpenheid aan hun koning. Degene die kwaad begaat, wordt gestraft naargelang het misdrijf groot of klein is en dat gebeurt door haar een hand, een voet of de kop af te hakken, en nadat het rechtvaardige vonnis werd voltrokken, worden de lichamen langs de weg verspreid die het dichtst bij het nest ligt waar zij wonen als voorbeeld om te vermijden dat anderen in hetzelfde euvel zouden vervallen. En het lichaam van hen die door ziekte om het leven komen, wordt ter aarde besteld op een daartoe aangewezen plek. Meer nog: als het soms gebeurt dat een van hen verwond geraakt door een adamskind of door een ander dier en daarbij een van zijn ledematen verliest, zoals een voet, dijen of handen, waardoor zij niet meer naar huis kan weerkeren, begeven ze zich allen op bevel van de koning meteen naar die plek en brengen haar naar het nest, waar zij haar goed verzorgen tot zij helemaal genezen is, of misschien sterft. Denk je dus niet, fra Anselmus, dat er onder ons niet evenveel kennis en wijsheid aanwezig is als bij jullie? Ongetwijfeld wel, en zelfs meer. Niemand die tot de jaren des verstands is gekomen kan dat tegenspreken.

     Ik wil het ook hebben over de wijsheid van de sprinkhanen, fra Anselmus. Na de zomer graven zij een gat in de vochtige grond en maken er een holte waarin ze hun eieren leggen. Na ze te hebben ondergedolven, laten ze die daar achter en vliegen weg. De meerderheid wordt dan door de vogels opgegeten en anderen sterven door de indringende kou of door bevriezing. Als dan de lente aanbreekt, en de twee opwekkende bronnen, namelijk warmte en vochtigheid, toenemen, gaan de eieren open en komen sprinkhaantjes tevoorschijn die zo klein zijn dat ze op zwarte mieren gelijken. En ze beginnen van de kruiden te eten en te knagen, krijgen vleugels en vliegen weg naar hun bezigheden. Later leggen ze eieren onder de grond zoals ik je al heb verteld en doen ze net als hun voorgangers, wetende dat, als ze de eieren boven de grond zouden laten liggen, ze zouden breken en bij vriesweer door de vrieskou zouden vernietigd worden, zodat ze niet zouden uitkomen, iets wat hun soort op korte tijd zou uitroeien en van de aarde doen verdwijnen. Ze worden bovendien geregeerd door een koning, en geen van hen zal het aandurven op te vliegen voor de koning dat doet, want wie tegen die regel ingaat wordt zwaar gestraft. Het zou te lang duren als ik er nog meer zou aan toevoegen, zodat je er goed aan doet andere argumenten of bewijzen te zoeken om uw foute opvatting vol te houden en daarop meteen een antwoord te krijgen. Spreek echter niet zonder eerst te hebben nagedacht over wat je wilt zeggen, want anders zul je je niet weinig vergissen.’

 

     (Het vierde argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, lang hoef ik hierover niet na te denken. Je weet maar al te goed, en het is voor iedereen klaar en duidelijk, dat iemand die tot een hogere rang en een meer verheven stand behoort uitgelezen en lekkere gerechten eet, terwijl iemand van mindere rang of verhevenheid het houdt bij dagelijkse spijzen die weinig smaakvol zijn. Wij, adamskinderen, eten een verscheidenheid aan heerlijke en uitgelezen gerechten, zoals brood gemaakt van gezeefd en wit meel, kraanvogels, duivenjongen, fazanten, patrijzen, houtsnippen, watervogels, zilverreigers, ooievaars, zeeduikers, leeuweriken, kapoenen, hanen en kalkoenen, houtduiven, duivers, tortels en nog meer allerhande gevogelte. En ook herten en hinden, geiten, damherten, everzwijnen, hazen, konijnen en andere soorten wild. Geiten, schapen, kalveren, hamels, runderen en andere gerechten van dien aard, zowel gebraden als gekookt of verwerkt tot paté, met verschillende en verscheidene kruiden en sausen, zoals witte saus, de zwarte saus, de grijze saus, pepersaus, azijn, groene jus, groene saus, mosterdsaus, met toevoeging van rapen, look, ui, kool, prei, spinazie, sla, sinaasappelen en nog tal van andere sausen naargelang het past bij iedere vleessoort. En wat betreft de vis we eten steur, zalm, forel, zeeprik, tong, mul, rode poon, griet, zeeduivel, tarbot, zeepaling, zeesnoek, karper, baars, karper, driedradige meun, steurkrab, aal en nog veel meer soorten van vlees en vis, groot en klein, haast eindeloos om op te noemen. Wat onze uitgelezen en heerlijke dranken betreft wil ik verwijzen naar de verscheidenheid aan wijnen, zoals de malvezij, romania- en basterdwijnen, muskaatwijn, wijnen van Griekenland en Corsica naar believen, zoete rode wijn, wijn van Roseta, kruidenwijn, en een oneindig aantal witte en rode, zeer fijne of krachtige, zerpe of likeurige wijnen, die wij het hele jaar door drinken naargelang de gesteldheid van het weer het wil en vereist.

     En jullie dieren hebben geen spijzen en dranken van dien aard. Is dat soms niet voldoende om aan te tonen dat wij, adamskinderen, tot een hogere rang en een meer verheven stand behoren dan jullie, dieren? Niemand die tot de jaren des onderscheids is gekomen kan hieraan twijfelen of het tegendeel beweren.’

     ‘Fra Anselmus, je brengt me haast aan het lachen, hoewel ik daartoe helemaal geen zin heb. Mijn beste Godsman, waar is je gezond verstand en de scherpzinnigheid waarop jullie zich plegen voor te staan? Je lijkt botter en onbehouwener dan een boer. Je denkt de adamskinderen te prijzen, maar je overlaadt hen met smaad, aangezien je de spijzen alleen kunt bekomen die je hebt opgenoemd door ze te kopen. En geld kunnen jullie niet hebben tenzij met grote inspanning, pijn, kwellingen en angst doorspekt van smart, terwijl jullie zaken doen, vechten, rondvaren en paardrijden. Om aan geld te geraken, gaan jullie dood, verdrinken jullie, worden jullie achtervolgd en in de nor gedraaid, verliezen jullie armen en benen, oren, handen en voeten. En als jullie dan eindelijk enkele duiten verdienen, hebben jullie nog meer angst dan voordien, bij de gedachte hoe ze te bewaren, hoe ze te doen toenemen, altijd met de schrik dat een of andere edelachtbare er beslag op zou leggen. Jullie zien af van allerlei genoegens en lusten door de angst die jullie vervult bij de gedachte: “Als ik dit of dat doe, zou het gerecht me wel eens kunnen oppakken en beslag leggen op mijn bezittingen.” Zo moeten jullie je allerhande schande, beledigingen en verachting laten welgevallen, die jullie niet durven te wreken uit angst voor het gerecht of het verlies van je geld. En daarna moeten jullie in de andere wereld rekenschap afleggen over hoe jullie ze hebben verdiend en hoe jullie ze hebben besteed en uitgegeven. En als jullie er slecht gebruik van hebben gemaakt, gaan jullie naar het hellevuur, waaruit jullie nooit meer weggeraken. En als jullie geld hebben vergaard, kunnen jullie geen brood van wit of gezeefd meel bekomen tenzij met grote moeite en grote inspanningen in het zweet uws aanschijns, want jullie moeten eerst ploegen, zaaien en dorsen, wannen, malen, kneden en bakken in de oven. En dat alles terwijl jullie je grote moeite en inspanningen moeten getroosten. En op dezelfde manier moeten jullie de andere gerechten bereiden en moeten jullie hout hakken, vuur aansteken en brengt de rook die in je ogen dringt, jullie aan het huilen, en wordt van jullie gehakt gemaakt onder het malen, filtreren en zeven, uitpersen en opwarmen van de sausen en de kruiden die je hebt opgenoemd.

     Fra Anselmus, wij eten met smaak de spijzen zoals lekkere tarwe, gerst, rogge, gierst, bonen, kikkererwten, linzen, rijst en andere gelijkaardige granen. En over fruit gesproken: wij eten druiven, vijgen, perziken, abrikozen, pruimen, appels, peren, kersen, granaatappels, citroenen, meloenen, en tal van andere lekkere vruchten van verschillende aard. En wij eten er alleen van als ze rijp zijn en van beste kwaliteit. Het gebeurt dat jullie, als jullie die vruchten beginnen te plukken en vergaren voor jullie maaltijden, alleen maar slechte en overrijpe vruchten vinden, maar toch eten jullie die alle zonder verpinken op. Hoe dan ook: jullie betalen ervoor, en wij eten ervan zonder ook maar een kopercent of duit te betalen. Jullie beplanten en bezaaien de moestuinen en wij eten er de vruchten van. Jullie graven putten en wij drinken er het water van. Bovendien eten wij lekkere bladgroenten zoals kolen, rapen, sla, spinazie, en tal van andere soorten die ik hier niet opnoem om niet al te lang uit te weiden. En dat alles zonder te moeten afrekenen met tegenspoed of te moeten ploegen, zaaien, oogsten, malen, kneden, koken of zelfs maar vuur aan te steken. En wij eten elke dag volgens onze behoeften en de rest laten wij voor jullie, en jullie bewaren die trouwens ook nog voor ons tot de volgende dag. En van die oogst die overblijft moeten jullie de wijnbouwers, de tuinders en andere werklui betalen. En wat de andere gerechten van vlees, vis en de sausen betreft waarover je het had: wij, dieren, eten ervan, hoe dan ook, voor jullie neus, en ik bedoel de honden, de katten, de ratten, de vliegen en de mieren, en zij doen dat omdat zij nu eenmaal slokoppen zijn, want geen ander dier zou het graag hebben ervan te moeten eten.

     En ik zeg u nog meer: door al die verschillende soorten van voedsel, die jullie opeten na al die moeite die jullie je getroosten, krijgen jullie te maken met allerhande kwalen, zoals dagelijkse of toe- en afnemende koortsen, maag- en ribpijn, nierpijn, schurft, pootje, waterzucht, jicht, koliek; jullie worden dus door evenveel ziektes geplaagd als de verscheidenheid aan voedsel dat jullie verorberen. En bovendien, als jullie van die kwalen willen genezen, moeten jullie verschillende pijnen en kwellingen doorstaan, zoals insnijdingen in jullie vlees, het doodbranden met gloeiend ijzer van de plek van de kwaal, siroop drinken, bittere en slecht smakende purgeermiddelen innemen die jullie met blindheid slaan, aderlatingen, diëten, en jullie moeten je onthouden van de begeerten des vlezes, en nog tal van andere moeilijkheden, te veel om op te noemen, waarvan wij echter ontheven en vrijgesteld zijn.

     Wie leidt dus, fra Anselmus, een herenleven? Wij, moeiteloos en zonder gevaar. Daar bestaat geen twijfel over: wij. En bij jullie is dat net omgekeerd. Zodat, als je nog over een ander argument beschikt dan wat je hebt uiteengezet, het je goed van pas zal komen.’

 

     (Het vijfde argument van het dispuut)

 

     ‘Geëerde Ezel, een ander argument dat klaar en duidelijk aantoont dat wij van een hogere rang en verheven stand zijn en dat wij over een grotere waardigheid beschikken dan jullie is dat wij in onze hoge, grote en ruime paleizen en woningen heerlijke genoegens hebben en overvloedig welbehagen scheppen om de mooie dansen die door vrouwen van allerlei slag worden uitgevoerd, om te lachen, te zingen, waarin op orgels, luiten, harpen, gitaren, violen, altviolen, psalters, rebabs, doedelzakken, hobo’s, kornetten, trompetten, klaroenen, tamboerijnen, fluiten, flageoletten, schalmeien en tal van andere instrumenten van allerlei vorm wordt gespeeld tijdens de bruiloftsfeesten, festijnen, banketten en bijeenkomsten. Wij doen onze beste kleren aan, wij versieren ons met mooie ketens, afbeeldingen, gouden en zilveren insignes, mooie juwelen met edelstenen van verschillende aard en kleur die echt alleen voor heren voorbestemd lijken en niet voor vazallen. Ik heb je hierdoor duidelijk aangetoond dat mijn opvattingen onbetwijfelbaar zijn en dat het redelijk is dat wij jullie heren zijn en jullie onze vazallen.’

     ‘Wat je daar vertelt, fra Anselmus, lijkt me kant noch wal te raken en neigt meer naar onsamenhangend gebazel. Dat alles vloeit voort uit een eerder zwak en klein begripsvermogen. Neem me niet kwalijk dat ik dat zo zeg; je bent tenslotte niet al te jong meer en kort van geheugen. Beste Godsman, weet je niet dat van de geneugten die gevolgd worden door tranen en leed niet mag gezegd worden dat het genietingen zijn? Hoe kom je er dus bij te prijzen wat als rook verzwindt? Want jullie hebben in plaats van de festijnen en de bruiloften, de begrafenisstoet als jullie dood zijn en jullie ter aarde bestellen; in plaats van het gelach de tranen; in plaats van de vreugde het verdriet; in plaats van gezang luid misbaar tegen de dood; in plaats van grote huizen en weelderige paleizen de enge en kleine grafkuil; in plaats van de kamers de gevangeniscellen; in plaats van insignes de kettingen en riemen rond je nek; in plaats van het goede overvalt jullie het kwaad en de kommer. Je doet er dus beter aan een ander argument te zoeken om je leugenachtige opvatting te bewijzen, hoewel ik de indruk heb dat het je vanaf nu heel wat moeite zal kosten om er een te vinden.

 

     (Het zesde argument van het dispuut)

 

     ‘Meester Ezel, een ander argument dat aantoont dat wij jullie heren en jullie onze vazallen moeten zijn, berust in het feit dat God ons de Wet heeft toevertrouwd en niet aan jullie. Deze Wet beveelt ons het goede te doen en het kwaad te mijden. Bovendien zeggen wij onze gebeden en houden wij de vasten, en staan wij onze tienden en eerstelingen af. Wij geven aalmoezen en er zijn profeten en gezanten van God die zich tot ons hebben gewend en niet tot jullie. Dat zijn inderdaad zaken van hogere rang, eigen aan heren, zoals wij zijn, en onder de dieren hebben jullie niets van dat alles.’

     ‘Fra Anselmus, wie er maar op los praat vergist zich vaak, en dat is wat jou overkomt. De hele tijd ga je ervan uit dat jouw argumenten aanvaard zouden worden, maar als je nu denkt dat je de adamskinderen eer bewijst, bega je een verachtelijke streek en overlaad je hen met oneer, omdat je niet hoort hoe je praat of wat je zegt. Wanneer je je dus voorstaat dat God jullie de Wet heeft geschonken, en niet aan ons, betekent dat grote oneer en schande voor jullie, en bewijs je ons een grote eer. Dat is zo omdat, als de mens in de staat was gebleven waarin God hem had geschapen, het niet nodig geweest zou zijn dat God hem de Wet had gegeven, want Hij had hem eerlijk, zuiver, onschuldig en vrij van zonde geschapen. De mens overtrad echter de Wet van God en heeft gezondigd, zodat hij meteen werd gestraft en werd verbannen uit het aards paradijs. En hun kinderen hebben elkaar om het leven gebracht uit afgunst. Daarna heeft hij diefstallen, roofovervallen en overspel gepleegd, valse getuigenissen en valse eden afgelegd, godslasteringen uitgesproken en nog tal van ander kwaad, ontucht, gruwelen en afschuwelijke zonden bedreven, zoals sodomieterijen en moorden. En daarom was het nodig dat Hij jullie de Wet gaf toen Hij vaststelde wat jullie uitspookten. Wij van onze kant hebben er geen nodig, omdat wij vanaf de eerste dag hebben geleefd tot op heden zoals God ons heeft geschapen, en wij loven en prijzen Hem zonder die perverse zonden te bedrijven. Je moet me nu maar eens zeggen of dat eervol is of een schande, en of je moet geprezen worden om wat je zegt. En wat de gebeden betreft die jullie tot God richten om vergeving te vragen voor jullie zonden, beledigingen en het kwaad dat jullie begaan: die hebben wij niet nodig, want wij begaan zonde noch kwaad.

     De vasten die jullie houden heeft God opgelegd, precies vanwege de zonde van de gulzigheid. Jullie doen nochtans niet wat God jullie oplegt, want de dag van de vasten begaan jullie toch deze zonde, want dan laten jullie meer uitgelezen spijzen aanrukken en eten jullie meer dan de andere dagen. En om een dag te vasten, hebben jullie wel drie dagen van goed eten nodig. De dag voor de vasten zeggen jullie: “Laten we maar eens flink eten en drinken, want morgen moeten we vasten.” En de dag van de vasten zeggen jullie: “Laten we vandaag maar goed eten en drinken, want we vasten.” En de dag na de vasten zeggen jullie: “Laten we vandaag maar flink eten, want gisteren hebben wij gevast.” Een dergelijke manier van vasten, fra Anselmus, is correct noch juist, en helemaal niet zoals God heeft opgelegd. Zo sprak de grote profeet Jesaja in naam van God toen hij zei: “Is de vasten die ik heb uitgekozen wel zoals God wil?” En hij bedoelt hier ongetwijfeld mee dat het niet zo is. “Willen jullie weten welke vasten ik heb uitgekozen? Deel het brood met degenen die honger lijden en geef de behoeftigen en de zieken toegang tot je huis, en schenk aan hen wat God je heeft gegeven. Kun je toezien hoe een naaste helemaal naakt loopt, terwijl jij je helemaal bedekt hebt? Hij is ook jouw vlees, en daarom zul je je naaste niet misprijzen. Als je dat doet, zul je God aanroepen en Hij zal je prijzen. Jij zult in Hem geloven en Hij zal je zeggen: “Hier ben ik.” Maar jullie doen dat niet voor je gelijken, fra Anselmus; jullie zeggen alleen kwaad over hen en maken hen verraderlijk uit voor al wat lelijk is. Jullie glimlachen in hun aanschijn, maar achter hun rug spreken jullie er kwaad over en maken jullie hen te schande. Wij echter, fra Anselmus, doen niets van dat alles: wij zijn geen vleiers die onze gelijken prijzen en er goed over zeggen als ze voor ons staan; wij zijn evenmin verraders die achter de rug kwaadspreken.

     Jullie tienden, eerstelingen en aalmoezen zijn diefstallen die jullie bij elkaar plegen, door ze heimelijk aan de bezittingen van jullie gelijken te ontfutselen, of soms zelfs openlijk en met geweld. Jullie handelen slecht door valse gewichten en valse en onwetmatige maten te gebruiken. Met oneerlijke winsten vergaren jullie al wat jullie maar kunnen. En jullie, sukkels, die almaar vergaren en opstapelen, doen dat voor degenen die jullie er niet dankbaar voor zullen zijn; ik zeg maar: wanneer jullie overleden zullen zijn, zullen de nieuwe echtgenoot van je vrouw, je dochter of de vrouw van je zoon met de bezittingen die jullie nalaten er maar op los leven, terwijl jullie rekenschap afleggen tegenover God. Wij zijn echter vrij van die zonden en boosaardigheid, iets wat een graad van hogere rang inhoudt.

     Het feit dat de profeten, zoals je zegt, niet naar ons zijn toegekomen, maar alleen naar jullie, strekt jullie tot schande, want zij werden gezonden opdat het goede zou worden gedaan en het kwaad zou worden gemeden, zoals de Schrift het duidelijk zegt. Wij staan daar helemaal buiten, want, zoals ik je al heb gezegd, wij doen alleen het goede en benadelen nooit iemand.’

     ‘Welk is dat goede, heer Ezel, dat jullie doen zonder enig kwaad? Het staat vast dat de sprinkhanen veel kwaad berokkenen en graan en vruchten vernietigen. Zoals trouwens ook vogels, waaronder de kauwen en de raven. Bovendien beschadigen de ratten alles waar zij aan knabbelen en knagen, zoals de kleren en de pakken; en de wouwen vallen de kuikentjes aan; de honden en de katten stelen het eten. En de wolven en tal van andere dieren leven van diefstal en roof; denk maar aan de vossen, die de kippen stelen. Wat je zegt is dus duidelijk niet waar.’

     ‘Broeder Anselmus, ik heb de indruk dat aan wat je daar zegt smaak noch kraak is en dat je niet erg snugger bent. De diefstallen en het kwaad dat de adamskinderen plegen is jullie niet veroorloofd, terwijl de schade, die volgens jou, onze door jou opgenoemde dieren aanrichten, helemaal geen zonden tegen God zijn; integendeel: het is hun geoorloofd omdat God hun dat leven heeft toegewezen en opgelegd. Zelfs Jezus Christus zegt in het Evangelie, als hij zich tot de mensen richt: “Kijk naar de vogels in de hemel, die niet zaaien of ploegen, maar uw hemelse vader stilt hun honger en verzadigt hen.” Het is niet zo, fra Anselmus, dat God hen uit Zijn hand laat eten, maar wel dat Hij hun dat leven en die manier van leven heeft opgelegd, wat juist datgene is wat jij hebt opgenoemd. Het behoort tot de waardigheid van heren te eten en te drinken, en niet, zoals jullie doen, te werken. Vergeet dus, mijn beste man, deze fantasietjes maar, en geef je gewonnen aangezien je niet in staat bent ook maar een argument naar voren te schuiven dat correct is en waarheid bevat.’

 

     (Het zevende argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, het andere argument waarom wij jullie heren moeten zijn, is de zijden kleding die wij dragen, of de purperkleurige, fluwelen, satijnen, damasten, katoenen, linnen en wollen kledij, mooi gevoerd met hermelijn, marter-, panter-, fretten-, hertenhuid, en van tal van andere, maar het zou te veel tijd in beslag nemen om daarover meer te willen vertellen. Omdat dergelijke kleding alleen maar bestemd is voor heren, en die jullie ontzegd is, willen recht en redelijkheid dat wij jullie heren zijn en jullie onze vazallen en onderdanen.’

     ‘Fra Anselmus, wie niet vooruitkijkt valt achterover, zoals jou nu overkomt: als je spreekt, denk je niet na over wat je zegt, gezien je woorden zich alle tegen jou keren, en terwijl je denkt dat ze je prijzen, keuren ze je af. Je slaat de bal zodanig mis dat je eigenlijk duidelijk aangeeft dat jullie dieven zijn en dat jullie je als dusdanig beschouwen. Zoals je weet, is de meest waardige kledij die jullie dragen van zijde of wol. Maar je weet ook heel goed dat de zijdewormen, dankzij hun grote vaardigheid en kennis, hun woning van zijde maken om erin te wonen, te slapen en te rusten, om het er in de winter warm te hebben, om zich tegen de wind en de regen te beschermen en er eieren in te leggen. Jullie echter pakken hun zijde met geweld af, jullie roven haar om er jullie kleding mee te maken. Omdat de zijde uit hun lichaam ontstaat, zijn zij het dus die heren moeten genoemd worden, en ze zouden zich er meer en met meer recht op moeten beroemen dan jullie, die je de zijde alleen maar toe-eigenen en stelen.

     Hetzelfde gebeurt met de wol. God heeft hem aan de dieren gegeven om zich te beschermen voor de kou, de wind en de regen, maar jullie leggen er met geweld beslag op en maken er kleren van. Jullie scheppen er dus valselijk mee op. Eigenlijk zouden wij er ons eerder moeten op beroemen, en jullie, adamskinderen, het onder de neus wrijven dat wij het zijn die jullie ervan voorzien om jullie te kleden en dat jullie je met die kledij beschermen tegen wind, kou en regen. En zo gebeurt het ook met de pelsen die je beweert te bezitten, want zij zijn afkomstig van onze dieren, die jullie bestelen en beroven.

     De almachtige God laat geen kwaad onbestraft. Hij heeft jullie in deze wereld gestraft nog vóór Hij het doet in de andere voor jullie boosaardigheid en dieverij door jullie met die zijde en die wol verschillende straffen en kwellingen op te leggen: wassen, schoonmaken, bleken, kaarden, kluwen, twijnen, scheren, weven, verven en versnijden, en duizend karweien meer, te veel om op te noemen, en die jullie, als ze werden opgesomd, in verlegenheid zouden brengen. Schamen jullie je niet als jullie ernaar verwijzen? Schamen jullie je niet als jullie erover spreken en jullie je beroemen op zaken waarvan de lof ons met recht en reden toekomt? Bedenk dus maar een ander argument en je zult daarop een antwoord krijgen dat je met verstomming zal slaan.’

 

     (Het achtste argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, meer nog dan jullie moeten wij wel jullie heren zijn, want wij hebben koningen, prinsen, hertogen, markgraven, graven, baronnen, heren, prelaten, doctors, wijsgeren, voorzitters, raadsheren, advocaten, procureurs, secretarissen, notarissen, dichters, meesterzangers en ambachtsgezellen. Dat zijn allemaal zaken eigen aan heren en niet aan vazallen zoals jullie, dieren.’

     ‘Fra Anselmus, een weldaad kost niets. De hele tijd leg je al je kwaadaardigheid bloot terwijl je jezelf bedrieglijk probeert te prijzen. Want wij, dieren, hebben, net als jullie, koningen, heren, ambachtsgezellen, meesterzangers en beslagen redenaars zoals jullie. Neem als voorbeeld de bijen, die alle gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan hun koning, zoals ik daarnet zei. En je zult je er rekenschap van geven dat zij van een angel werden voorzien om zich te kunnen verdedigen, terwijl de koning werd geschapen zonder angel om te verstaan te geven dat koningen en heren barmhartig en lankmoedig moeten zijn, zonder enige angel van wreedheid en kwaadaardigheid.

     Onze heer en koning, de eerste die we hier horen te noemen, is de koning van alle dieren wegens zijn grote naam, adeldom en grootheid aan moed. Hij is edelmoedig en vrijgevig, zonder enige inhaligheid, iets wat voor iedereen vanzelfsprekend is en algemeen erkend. Als hij zich voedt, eet hij zeer weinig, en wat rest, eten zijn dienaren en hovelingen op die zijn verheven hof overal volgen. Over zijn moed hoeft niets gezegd te worden, want hij zou in zijn eentje duizenden kunnen aanvallen van jullie, adamskinderen, koning en al de rest inbegrepen, zonder ook maar om zich heen te kijken. Trouwens, als jullie een adamskind willen prijzen, plegen jullie te zeggen: “Hij is moedig als een leeuw.”

     De vogels hebben ook als koning de arend. De mieren en de aardlangoesten hebben eveneens hun koning, zoals ik hiervoor al heb aangegeven. Klerken en notarissen hebben we niet nodig, anders zouden wij ze alleen maar hebben zoals bij jullie: om rechtsgedingen op te tekenen, en pleidooien en aanklachten die bij jullie worden gedaan voor de diefstallen en berovingen die jullie elkaar aandoen, terwijl jullie de waarheid geweld aandoen en de leugens volhouden. Wij doen echter niets van dat alles. Wij hebben wel uitstekende architecten, zoals de zwaluwen, de wespen en tal van andere die hun nesten en woonsten bouwen. De dokters, wijsgeren, dichters en goede redenaars hebben we in overvloed, maar omdat jullie hun taal niet verstaan, lachen jullie erom, zoals de christenen doen over de taal van de moren en de moren over de christenen. Dat gebeurt er nu eenmaal als de een de ander niet verstaat. Jullie zijn net hetzelfde, want omdat jullie de taal van de dieren niet begrijpen, denken jullie dat wij over geen kennis beschikken. Ik wil je echter aantonen dat alle gezangen van de vogels, zoals de papegaaien, de nachtegalen, de kneuen, de distelvinken, de leeuweriken en de groenlingen allemaal met ritme en retorisch goed zijn verklankt, zodat je ze bij het beluisteren heel wat fijnzinniger en mooier geordend zou vinden dan die van jullie. Wij hebben ook goede zangers en muzikanten, zoals de vogels die ik je heb opgenoemd, waarvan je trouwens zelf zegt, als je een zanger van de adamskinderen wilt prijzen: “hij kweelt en kwinkeleert zo lieflijk als een nachtegaal.”

     Ik wil je nu vertellen en uitleggen, fra Anselmus, dat onze koningen beter zijn als heersers over hun onderdanen dan die van jullie, en zij zijn barmhartiger tegenover hen die hun onderworpen zijn dan jullie heersers, want jullie vorsten houden alleen van hun onderdanen vanwege het voordeel dat zij er kunnen uit halen, zoals tienden, cijns, snoeiwerk, belastingen en mondvoorraad en tal van andere voordelen en belangen die zij opstrijken; en ook om zich tegen hun vijanden te beschermen. Dat is echter wel een teken van hebzucht en ellende, want het verstand schrijft voor dat de heer vergevensgezind is zonder de rechtspraak geweld aan te doen uit inhaligheid of gunstverlening, en evenmin uit vrees, maar hij houdt altijd in acht en komt altijd na wat God, die de ware koning van koningen en van heren is, gebiedt. Zo doen de koningen van de dieren, zoals ik je nu zal uitleggen.

     De allerhoogste vorst en koning van de dieren is de leeuw. Je moet weten dat tijdens de vergaderingen, disputen, strijd en gevechten hij altijd de eerste is en dat hij zijn leven vaak op het spel zet voor zijn volk omwille van het grote respect dat hij het toedraagt.

     Hij geeft hun wat hun toekomt zonder er zich ook maar iets, kwaadschiks of goedschiks, van toe te eigenen. Ik wil er ook nog aan toevoegen dat de koning van de mieren en die van de sprinkhanen barmhartig en genadig zijn in al hun handelingen en beslissingen, zonder ooit enig recht te doen gelden op hun volk. Zo ook de koning van de kraanvogels: uit groot respect en grootmoedigheid tegenover hun onderdanen houden zij ’s nachts zelf de wacht terwijl hun volk slaapt. En zo doen alle koningen van de dieren, omdat zij een grote achting tegenover hun vazallen in ere houden, en zij doen nooit enig recht of respect geweld aan en nooit vragen zij niemand ook maar iets.

     Wat de dienaren en knechten van jullie overleden koningen betreft: allen die in dienst stonden van hun vader worden door de nieuwe koningen ontslagen zodra zij de teugels van de regering in handen hebben, en worden slecht vergoed voor de gepresteerde diensten, en zij stellen andere dienaars aan. En vaak brengen zij broers, ooms en verwanten om het leven om zich geheel van de heerschappij te verzekeren, of zij sluiten ze op in de gevangenis, of verbannen ze voor eeuwig. Omdat zij vrezen de tijdelijke heerlijkheid te verliezen, verliezen en veronachtzamen zij nog liever de geestelijke.

     Wij, dieren, doen echter niets van dat alles als een van ons tot een nieuwe heerlijkheid wordt verheven. Het is dus beter dat je een ander argument zoekt om te bewijzen dat uw valse opvatting waar is, wat ik graag zal weerleggen.’

 

     [Het negende argument van het dispuut]

    

     [Tiende argument van het dispuut]

    

     (Elfde argument van het dispuut)

 

     ‘Heer ezel, het volgende argument en bewijs dat wij, adamskinderen, van een hogere rang en verheven stand zijn dan jullie, dieren, is dat wij zeer vernuftig zijn als wij huizen, torens en paleizen bouwen om erin te wonen, en wij maken er op verschillende wijzen en manieren: ronde, vierkante en met alle mogelijke vormen en maten. En dat doen wij dankzij ons spitsvondig en veelzijdig verstand. Dat ontbreekt jullie echter geheel. Degene die dat alles kan, is dus waard heer en meester te zijn. En degene die tot dat alles niet in staat is, wordt met recht en reden aangewezen om onderdaan en vazal te zijn.’

     ‘Broeder Anselmus, mij komt het voor dat hoe meer je spreekt, hoe meer je je vergist. Je houdt staande geleerdheid te bezitten, maar je verwijdert je er helemaal van, want als je redelijk en verstandig was, zou je klaar en duidelijk inzien dat al die lof op het bouwen de grootste dwaasheid is die je begaat. Ik ben er bijna zeker van dat je eerder zwak en grof bent van begrip. Dat is voor iedereen duidelijk door de onnozele loftuitingen die je uitbrengt op die gebouwen van jullie, want als we die vergelijken met de onze, is het alsof je een grapje maakt.

     Broeder Anselmus, als je de bijen nagaat, worden die in goede orde bestuurd onder het gezag van een koning, zoals ik voordien heb uitgelegd en verklaard, en zij maken en bouwen hun verblijven harmonisch, sommige zeshoekig, andere achtkantig, weer andere driehoekig en soms vierzijdig, zoals het hun uitkomt, en zij bouwen die op met een enkele materie, namelijk was. De mensen maken nooit hun woningen uit één materie; zij kunnen dat zelfs niet. Zij hebben zand, kalk, aarde, water, stenen, hout, ijzer en plaaster nodig. Naast al die grondstoffen hebben zij hamers, houwelen, richtlatten, zagen, gietvormen, winkelhaken, vijlen, schietlood, en andere meetinstrumenten en vernuftigheden nodig zonder dewelke jullie ze niet zouden kunnen bouwen en optrekken. De bijen hebben niets van dat alles nodig, zo groot is hun vernuft en fijnzinnigheid. Geen mens ter wereld is in staat dergelijke harmonische constructies zo mooi en zo bedachtzaam tot stand te brengen als zij met een enkele grondstof doen.

     Ook de spinnen maken hun verblijven en paleizen uit een enkele materie, namelijk met een mooie draad die zij nog fijner weven dan zijde, op verschillende wijzen en mooi verwerkt, vierkantig, driehoekig of rond, zodat het lijkt dat zij gefriseerd zijn met verschillende touwen en draden, zonder er klossen of spinrokken voor nodig te hebben, noch spoelwinder noch haspel, kaarde, noch knipper of weefgetouw. De adamskinderen kunnen echter geen lap of laken maken zonder die werktuigen.

     Hetzelfde kan gezegd worden over de zwaluwen in verband met het bouwen van hun woningen, alsook over andere vogels als zij hun nesten bouwen op hooggelegen plekken, die met zoveel nauwkeurigheid tot stand komen alsof zij werden gemaakt volgens een perfecte geometrie en maat. Wie zijn dus, fra Anselmus, de meest vernuftige op het gebied van bouwwerken: de adamskinderen of de dieren? Als je even nadenkt, zul je klaar en duidelijk moeten erkennen dat onze dieren heel wat vernuftiger zijn en fijnzinniger dan de mensen.

     Ik zwijg nu maar om onze allerhoogste en machtige heer koning niet te ergeren. Zoek dus een ander argument en kijk goed uit om je valse mening te bewijzen.’

 

     (Twaalfde argument van het dispuut)

 

     ‘Heer Ezel, zonder er lang over hoeven na te denken zal ik je aantonen dat wij, adamskinderen, van hogere rang en verheven stand zijn dan jullie, de dieren. Gewoon omdat wij de dieren eten die op het land en in zee leven, alsook degenen die zich in de lucht bewegen, namelijk vogels van allerlei aard en verscheidenheid. Het is dus duidelijk en ontegensprekelijk dat degene die eet van een hogere rang is dan wat wordt opgegeten. Bijgevolg blijkt hierdoor dat wij van hogere rang zijn dan jullie.’

     ‘Broeder Anselmus, als je je mond dichthoudt, kunnen er geen vliegen in. Mijn beste Godsman, het zou beter zijn dat je de lippen op elkaar hield in plaats van er maar op los te praten, want door de kracht van jouw manier van redeneren zouden de wormen jullie heren zijn, aangezien ze jullie opeten; en ook de leeuwen en de aasgieren en alle andere dieren, vogels en zeevissen, omdat ze zich aan jullie te goed doen. En ook de wolven, de honden en tal van andere dieren zouden dan jullie heren zijn. Erger nog: zelfs de luizen, vlooien, wandluizen, neten, platluizen en meer van dat soort zouden eveneens jullie heren zijn, want zij eten alle van uw vlees. Beken dus maar zonder omwegen dat ik het in dezen bij het rechte eind heb, en dat je hiertegen niets kunt inbrengen.’

 

     [Argumenten van de kleinere dieren]

     

     (Dertiende argument van het dispuut)

 

     Zodra ik de woorden van de Ezel had gehoord, voelde ik mij als de mens die uit de dood tot het leven en uit een dodelijke ziekte tot de gezondheid terugkeert. Het was alsof hij een engel was die door God werd gezonden, en ik sprak tot hem als volgt: ‘Heer Ezel, de reden waarom wij van hogere rang en stand zijn is dat, als wij sterven, onze ziel niet sterft, en wij de wederopstanding verwachten; wij betreden het paradijs waar wij genieten van de eeuwige glorie. Jullie, dieren, hebben niets van dat alles omdat, wanneer jullie lichaam sterft, ook jullie ziel terzelfder tijd doodgaat, en jullie geen wederopstanding noch glorie ten deel valt. Dat is de hoge graad en waardigheid die heren toekomt. Hiermee wordt dus duidelijk en klaar aangetoond dat mijn opvatting waarheid bevat en niet leugenachtig is.’

     De Ezel antwoordde als volgt: ‘Fra Anselmus, wie iets niet goed begrijpt draait de betekenis van de woorden om. Dat is wat jij doet, die de Heilige Schrift leest en er niets van begrijpt, en, zoals de wijze Cato zegt, fra Anselmus, “lezen zonder te begrijpen is niet lezen, maar wel het goede misprijzen”. Je weet heel goed dat Salomon, de meest wijze die ooit onder de adamskinderen heeft geleefd, in Prediker, hoofdstuk 3 (vers 21) zegt: “Wie bemerkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?”, alsof hij wilde zeggen dat niemand dat weet, behalve degene die hen heeft geschapen. Ik verzeker je, fra Anselmus, dat je redenering in deze zaak niet erg van wijsheid getuigt. Of wil je soms als onwrikbare waarheid bevestigen wat Salomon, die toch met wijsheid spreekt, in twijfel trekt? En in verband met wat je beweert dat jullie het paradijs zullen betreden na de wederopstanding, is het wel zo dat de meesten onder jullie zullen terechtkomen in de hel, het eeuwige en altijd brandende vuur dat voorzeker nooit zal uitdoven, en waarin de levenden niet zullen sterven, zoals geschreven staat in de Heilige Schrift. Jullie zullen zelfs wensen in de buik van je moeder gestorven te zijn. Weinigen onder jullie zullen het paradijs betreden, want zo staat in het evangelie volgens Mattheüs 20: “Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.” En de profeet David zegt in psalm 15: “Heer, wie zal verkeren in uw tent?”, wat betekent: in het paradijs. En God antwoordt: “Wie oprecht wandelt en gerechtigheid wekt.” Wat wil zeggen zonder zonde, zoals wij. Als je geen ander argument hebt om te bewijzen dat jouw valse opvattingen waar zijn, zeg het me maar, en ik zal je tot zwijgen brengen met het antwoord dat je zult krijgen.’

 

     (Veertiende argument van het dispuut)

 

     Broeder Anselmus zegt tot de Ezel: ‘Heer Ezel, het andere argument dat aantoont dat wij van hogere rang en stand zijn dan jullie, is dat wij gemaakt en geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God en jullie niet. Dat behoort dus tot een allerhoogste en aanzienlijkste waardering waardoor het niet meer dan heilig en rechtmatig is dat wij jullie heren zijn en jullie onze onderdanen en vazallen.’

     De Ezel antwoordt echter: ‘Fra Anselmus, wie veel spreekt vergist zich vaak, zoals met jou het geval is, want je denkt het dispuut te hebben gewonnen met dat argument, als je zegt dat jullie gemaakt zijn naar het beeld en gelijkenis van God, en wij niet. Weet je niet dat je door dat te zeggen, zondigt? Mijn beste Godsman, denken jullie, adamskinderen, echt dat God naar jullie gelijkenis is gemaakt? God beware ons! Want Hij heeft hoofd, ogen, handen, noch voeten. Meer nog: Hij is aan geen lichaam gebonden. Jullie baseren je echter op het standpunt van Genesis, waar God zegt: “Laten we de mens maken naar ons beeld en onze gelijkenis.” Dat is ongetwijfeld zo en er valt niets op aan te merken, maar je begrijpt het niet en weet niet hoe het moet begrepen worden. Nochtans, hoewel ik niet aan de universiteiten van Parijs of Bologna heb gestudeerd zoals jij, zal ik het je in alle duidelijkheid uitleggen, als je bekrompen verstand het tenminste toelaat of weet te bevatten. Spits dus nu je oren maar en luister aandachtig naar mijn woorden, en dan zul je begrijpen hoe men de uitspraak van de Genesis moet verstaan. Je moet weten, fra Anselmus, dat de filosofen zeggen en bevestigen dat de mens ‘kleine wereld’ dient genoemd, en zo benoemen ze hem ook in hun boeken. Dat is zo omdat in de mens alles te vinden is wat in de grote wereld aanwezig is, namelijk in de hemel en op de aarde. Op een gelijkaardige manier als er in de hemel twaalf tekens zijn, zul je in de mens ook twaalf leidingen aantreffen. Ten eerste twee in de oren, twee in de ogen, twee in de neus, een in de mond, twee in de borsten, een in de navel en twee in de onderste lichaamsdelen. Op een gelijkaardige wijze als de grote wereld vier elementen heeft, namelijk het vuur, de lucht, het water en de aarde, bezit de mens vier basisorganen, en dat zijn de hersenen, het hart, de lever en de longen. En op dezelfde manier waarop de grote wereld door de vier elementen wordt bestuurd en beheerst, gebeurt dat met de kleine wereld, en dat is het lichaam van de mens, dat in zijn geheel bestuurd en beheerst wordt door de vier organen. En op dezelfde wijze als het vocht, de dampen, de kiltes en de vochtigheden opstijgen en wind, donder en regen uitlokken en veroorzaken, en daarbij de beweging van de hemel en de planeten nabootsen, zo stijgen ook de dampen op van de onderste lichaamsdelen naar de bovenste en ontketenen winden onder de vorm van boeren; donders onder de vorm van niesbuien en hoest; en regen onder de vorm van de tranen en speeksel. Kortom, het vlees van het menselijk lichaam gelijkt op de aarde, want het werd uit aarde gemaakt, en tot de aarde zal het weerkeren. De botten zijn als de bergen, de oren als de metaalmijnen die zich in de holle ruimtes en het binnenste van de bergen bevinden; de buik is als de zee, de darmen zijn als rivieren, de aders als de bronnen en de wellen, het vlees als de aarde, zoals ik al heb gezegd, en het haar en het dons als de kruiden en de planten. En de delen waarop geen haar groeit zijn als de zoute en kleiachtige grond waarop nooit gras groeit. Bovendien zijn het aangezicht en het voorste gedeelte van het menselijk lichaam als de bevolkte delen van de grote wereld, aangezien zij, net zoals die delen, bevolkt zijn door steden, dorpen en kastelen, bevolkt en bewoond, namelijk met neus, mond, borsten, navel, samen met de onderste delen en de handen en voeten.

     De rug en het achterste gedeelte van het menselijk lichaam zijn als die delen van de grote wereld die bevolkt noch bewoond zijn. Bovendien is het voorste deel van het menselijk lichaam als de oostkant en het achterste deel als de westkant, de rechterhand is als het zuiden en de linker- als het noorden. De niesbui, het gehuil, het gehoest en het geluid en lawaai die onze darmen maken zijn als de donders, zoals ik al heb verteld en uitgelegd. En de tranen, het speeksel en de urine zijn als de regen. De lach is als het licht van de dag. Het geween als de duisternis van de nacht. De slaap als de dood. De wake als het leven. De tijd van kindsheid als de lente. De jongelingsjaren als de zomer. De volwassenheid als de herfst. De ouderdom als de winter. Op dezelfde wijze als God onze heer de grote wereld leidt en bestuurt, zo leidt en bestuurt de verstandelijke geest de kleine wereld, namelijk het menselijk lichaam, en hij doet met het lichaam wat Hem behaagt, want als de geest wil dat het lichaam stilhoudt op het juiste en bepaalde moment, valt het meteen stil; en als de geest wil dat het lichaam rechtstaat op het juiste en bepaalde moment, richt het zich meteen op. Doorgaans gebeurt het zo: als de geest wil dat het lichaam een beweging maakt, zoals handen en voeten tegelijkertijd uitstrekken of intrekken, of de ogen openen of sluiten, of springen of lopen, of een andere grote of kleine beweging maken, wordt dat meteen gedaan en uitgevoerd, zonder dat het nodig is dat de geest tot het lichaam spreekt of het een teken of een seintje geeft, maar wel gebeurt dat op hetzelfde ogenblik als de geest wil dat een van die bewegingen wordt uitgevoerd. Het willen en uitgevoerd worden zijn één. Bijgevolg is het niet nodig dat de geest tot de ogen zegt “doe dicht”, of tot de benen “loop”, of tot de andere lichaamsdelen “doe dit of dat”, maar zoals ik je al heb gezegd: de wil en de handeling zijn één. Als het de almachtige God behaagt dat op een bepaald moment iets wordt gedaan in de grote wereld, namelijk in de hemel of op de aarde, gebeurt dat en wordt dat terstond uitgevoerd, zonder dat Hij het hoeft te zeggen dat dat wordt gedaan, maar wel is het zo dat, zodra hij wil en het Hem behaagt dat iets wordt gedaan, dat ook gebeurt en wordt uitgevoerd, zodat iets willen en uitgevoerd worden een geheel zijn. En hetzelfde doet de verstandelijke geest in deze kleinere wereld, namelijk in het menselijk lichaam. Zo moet de uitspraak begrepen worden die zegt: “Laten we de mens maken naar ons beeld en onze gelijkenis.” Hier wordt inderdaad verwezen naar de geest: zoals God alles doet wat Hem behaagt in de grotere wereld, namelijk in de hemel en op de aarde, zo werkt de geest op gelijkaardige wijze in de kleinere wereld, dat het menselijk lichaam is. Zo is jouw verstandelijke geest gemaakt.

     Fra Anselmus, omdat ik zie dat je mijn uitleg over de uitspraak niet goed hebt begrepen, zal ik je het op een andere manier uitleggen. Luister dus goed naar mijn woorden. Zoals de filosofen en sommige geneesheren zeggen, is de geest niets anders dan drie vermogens: het geheugen, het denkvermogen en de wilskracht. En die drie vermogens vormen de geest. En zoals uit God de Vader de Zoon wordt geboren, en uit de Vader en de Zoon gelijkelijk de Heilige Geest ontstaat, zo wordt het geheugen uit het denkvermogen geboren, en uit het geheugen en het denkvermogen ontstaat gelijkelijk de wilskracht. En zoals de persoon van de Vader niet die is van de Zoon, en die van de Zoon evenmin die van de Heilige Geest, of de persoon van de Heilige Geest die van de Vader noch die van de Zoon kan zijn, zo is de handeling van het geheugen niet het denkvermogen en de handeling van het denkvermogen is niet de wilskracht, maar wel zijn de drie vermogens de verstandelijke geest. Zo zie je, fra Anselmus, hoe de verstandelijke geest gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. En zo begrijpt men de uitspraak die zegt: “Laten we de mens maken naar ons beeld en gelijkenis.” Bovendien, fra Anselmus, als je nu eens niet zo verwaand bent dat je niet een beetje kunt denken alvorens te spreken, kan ik je aantonen met je eigen argument, namelijk dat jullie gemaakt zijn naar het beeld en de gelijkenis van God, dat wij, dieren, van rechtswege van een hogere rang en stand zijn dan jullie, adamskinderen. Jullie zeggen dat jullie gemaakt zijn naar het beeld en de gelijkenis van God, maar wij kunnen zeggen – en dat is de waarheid – dat niet alleen God maar ook de heiligen gemaakt zijn naar ons beeld en gelijkenis. En dat kunnen jullie niet betwisten noch weerleggen, want jullie, adamskinderen, schilderen de almachtige God met het beeld van een lam; en de evangelisten, die de voornaamste heiligen zijn die jullie hebben, stellen jullie voor met het beeld van een van onze dieren, aangezien jullie Lucas schilderen als een stier of een bul, Johannes als een arend en Marcus als een zegevierende leeuw. En met Pasen zingen jullie een gebed waarin staat dat Jezus Christus verrezen is met een grote macht en dat het lam dat hij was werd veranderd in een leeuw door een overweldigende overwinning. Wie, fra Anselmus, is dus van de hoogste rang en stand: jullie die gemaakt zijn naar het beeld en de gelijkenis van God, of wij, die God en de heiligen die op ons gelijken, zoals jullie met Pasen zingen en in alle kerken schilderen? Als je dus niet onredelijk bent, zul je er ongetwijfeld goed aan doen een ander argument te zoeken om aan te tonen dat je foute opvatting de juiste is.’

 

     (Vijftiende argument van het dispuut)

 

     ‘Hoogeerbiedwaardige Ezel, het andere argument dat aantoont dat wij van een hogere rang en stand zijn dan jullie is dat wij ordes, kloosterlingen en kloosters hebben van franciscanen en minderbroeders, van dominicanen of predikheren, augustijnen en karmelieten en tal van andere – te veel om op te noemen –, waarin vele vrome mensen een heilig en eerbaar leven leiden, die om God te dienen hebben afgezien van alle wereldlijke genoegens, die kuis leven en nooit een vrouw bekennen, die de zonden mijden, voornamelijk de zeven hoofdzonden. Jullie hebben echter niets van dat alles wat van een graad van hoge waardigheid, adel en heiligheid getuigt, waarmee duidelijk wordt aangetoond dat wij, adamskinderen, van een hogere rang en stand zijn dan jullie, dieren.’

     ‘Broeder Anselmus, telkens opnieuw wil je dat ik je ongezouten de waarheid zeg. Mijn beste, je verplicht me te zeggen wat je niet zou willen horen. Bewaar het in ieder geval als een geheim, want het is een schande en een oneer die jou treft. Betreur echter mijn antwoord niet, want ik zou honderduit kunnen praten zonder ooit de waarheid geweld aan te doen. Zoals je weet, fra Anselmus, was er na het heengaan van Sint-Franciscus, Sint-Lodewijk van Marseille, en Sint-Antonius van Padua, alle drie minderbroeders, nooit meer een monnik van de orde die heilig was, zoals ook na de dood van Sint-Dominicus, Sint-Thomas van Aquino en Sint-Pieter Martelaar, die predikheren waren, in die orde nooit meer iemand geweest is die heilig was. Om deze preek en toespraak niet langer te rekken, hoef ik niet uit te weiden over alle andere ordes noch over priesters en seculieren, noch over hun weinig rechtvaardige en nog minder goede werken. Tussen hen en de leken is er helemaal geen verschil, behalve dat de leken een vrouw tot zich nemen, het huwelijkscontract op schrift stellen en beloven het na te leven en zij geven haar de ring, terwijl de monniken zoveel vrouwen nemen als zij willen, zonder ook maar een contract op te maken of ringen te geven. Zo zijn nu eenmaal de monniken, vooral de meerderheid van monniken en nonnen. De anderen zijn de gehuwde vrouwen, de weduwen en de maagden, die onder het mom van de vroomheid vaak een geil groentje schaakmat zetten. En zo spelden ze ook vaak blauwe bloempjes op de mouw, zoals een predikheer deed met een brave vrouw die bij hem te biecht ging, maar ik zalom het verhaal niet te lang te maken, niet meer vertellen hoe die geschiedenis al dan niet verliep.’

     De koning der dieren nam echter het woord: ‘Mijn beste weerlegger, onze Heerlijkheid zou wat graag de geschiedenis van de predikheer en wat die brave vrouw overkwam, kennen. Maak je maar niet ongerust als fra Anselmus je dat niet in dank zal afnemen, want zoals het spreekwoord zegt: “Wie erover wil spreken, krijgt een antwoord te breken.” En hij heeft kwaadgesproken over ons, en het is dus maar juist dat we hem van hetzelfde laken een pak geven.’

     Nadat de Ezel de koning had horen spreken, richtte hij zich naar mij en zei:

     ‘Je moet weten, fra Anselmus, dat er in Catalonië een stad is, genaamd Tarragona, die vroeger Secundina heette, omdat zij in grootte de tweede was na de stad Rome. Dat is nu nog te zien aan de grote, oude en prachtige gebouwen die overal in die stad overgebleven zijn. Welnu, in de omgeving van die stad zul je, fra Anselmus, een klooster aantreffen van de predikheren. In dat klooster was er een monnik die Joan Juliot heette, een mooie en verleidelijke man, flink en evenwichtig gebouwd, welsprekend, waarom hij door de hele bevolking van Tarragona op handen werd gedragen, een goede naam had en ten zeerste werd gewaardeerd, in die mate dat de voornaamste gezagsdragers van de stad bij hem te biecht gingen, alsook hun vrouwen en kinderen. In de stad woonde een gewichtig persoon, die Joan Destallers heette, en die een deugdzame vrouw als echtgenote had, Tecla genaamd. Die Joan was zeer godvrezend en vroom, en zijn vrouw was dat evenzeer. Zij was een van de mooiste vrouwen die in heel de stad te vinden was, zozeer zelfs dat zij door haar schoonheid een engel van de hoogste rangorde leek.

     Toen de vastentijd aanbrak, fra Anselmus, stelde vrouwe Tecla vast dat haar buurvrouwen elke dag te biecht gingen, en zij zei tot haar echtgenoot: “Heer, er zijn al tien dagen van de vasten voorbij en ik ben nog niet te biecht gegaan. Ik zou er dus, met uw welnemen, naartoe willen gaan.” De echtgenoot zag dat zijn vrouw het goed voorhad, en voelde zich maar al te gevleid, en hij antwoordde: “Vrouwe, ik ben blij dat je wenst te biechten. Hoe dan ook: je bent nog jong en onwetend, en je hebt nog nooit gebiecht en evenmin weet je hoe dat moet, en daarom wil ik dat je dat doet bij pater Joan Juliot van de predikherenorde. Hij is mijn biechtvader, een voorbeeldig man en erg wijs in zijn preken. Tijdens de biecht doet hij echte wonderen en hij weet hoe naar de zonden te vragen en hoe ze te onderzoeken. Omdat je hem niet kent, vraag je maar naar hem, en ze zullen je wel wijzen waar hem te vinden, en je zegt hem dan dat ik je heb gezonden om je de biecht af te nemen.”

     Nadat vrouwe Tecla had geluisterd naar wat haar man zei, sloeg zij een mantel om en begaf zij zich meteen naar het klooster van de predikheren. Maar hoewel die vrouw alle andere in schoonheid overtrof, was zij daarentegen zeer dom, te goeder trouw en bekrompen, en al wat men haar vertelde nam zij voor waar aan. Zodra zij in het klooster aankwam, vroeg zij naar pater Joan Juliot, en men wees haar wie dat was. Vrouwe Tecla zei, na hem de handen gezoend te hebben: “Heer pater Juliot, mijn echtgenoot heeft mij naar u gestuurd om mij te leren hoe ik moet biechten.”

     Toen pater Juliot de schoonheid van die vrouw in de gaten kreeg, en vaststelde dat zij niet van de slimste was, voelde hij zich maar wat vergenoegd en hij zei: “Je kunt erop rekenen dat ik je het biechten zo goed zal aanleren dat je geen ander meer nodig zult hebben om het je bij te brengen.” Toen liet hij haar in de biechtstoel plaatsnemen, een ereplaats in de kerk waar hij gewoonlijk de biecht afnam. Die biechtstoel stond erg verborgen en in een donker hoekje opgesteld, zodat degenen die binnen zaten degenen die erbuiten bleven niet zagen en die van buiten konden degenen die in de biechtstoel zaten niet zien omdat het er donker was.

     Meteen vroeg pater Juliot of zij ooit verliefd was geweest op iemand. En zij antwoordde: “Heer, ik twijfel er niet aan dat omwille van mijn grote schoonheid er enkelen zijn die op mij verliefd zijn, maar ik, verliefd op iemand ben ik nooit geweest, want mijn eega heeft mij gezegd dat, als een vrouw van een man houdt die niet haar echtgenoot is, de oude heksen haar ’s nachts komen halen en haar meenemen, en haar in een zak steken en haar zo in zee gooien. Daarom ben ik nooit verliefd geweest, ben ik nooit iemand toegenegen geweest, of heb ik liefde voor iemand gevoeld behalve voor mijn echtgenoot, en dat uit vrees om in de zak te geraken.”

     Toen pater Juliot zag dat die naïeve ziel niet erg snugger was, verheugde hij zich daarover ten zeerste, en hij zei bij zichzelf: “Vandaag zal ik je beslist in een zak stoppen zodat je nooit meer bang zult zijn voor die oudjes.” En toen vroeg hij haar: “Lieve kind, hoe lang ben je al bij je man?”

     En zij antwoordde: “Heer, vandaag al zes maanden.”

     “Hoe dikwijls heeft je man betrekkingen met je gehad?”

     En zij antwoordde: “Om de waarheid te zeggen, heer, dat zou ik u niet kunnen zeggen. Dat overkomt hem zo vaak en zowel overdag als ’s nachts dat ik de tel niet kan bijhouden.”

     Door dat antwoord begreep pater Juliot meteen dat die vrouw wat kortzichtig was, en hij zei in zichzelf: “Ik verzeker je dat je hier niet vandaan gaat tot je de hele rekening hebt gemaakt.” En, terwijl hij deed alsof hij zeer verstoord was, zei hij: “Maar wat voor een christen ben je dat je niet bijhoudt hoe vaak je echtgenoot het met je doet, als je van rechtswege de tienden moet geven aan de biechtvader bij wie je te biecht gaat? Hoe kan ik nu die tienden van je ontvangen als je niet weet hoe dikwijls je echtgenoot betrekkingen heeft gehad met jou? Je zou ongetwijfeld een zware straf en penitentie verdienen.”

     Toen vrouwe Tecla de woorden van pater Juliot hoorde, barstte zij in tranen uit en zei: “Heer, ik smeek u om de liefde Gods mij te willen vergeven, want, arme vrouw als ik ben, heb ik onwetend een grote zonde begaan. Ik beloof u oprecht dat ik van nu af aan erg zal opletten en tellen hoe vaak mijn echtgenoot het met me doet, en ik zal het aanstippen met de rozenkrans om het niet te vergeten, en elke keer als hij het met mij doet, zal ik er een knoop in leggen. Mijn echtgenoot, heer, heeft mij naar u gestuurd om mij te onderrichten, omdat hij weet dat ik over dat alles niets weet.”

     Toen pater Juliot de woorden van die jonge vrouw hoorde, was hij ten zeerste opgetogen, omdat hij duidelijk zag dat zij niet erg snugger was. En om haar te troosten, zei hij haar: “Kindlief, ik vergeef het je in naam van God en van mij, en huil nu maar niet langer en wees niet bedroefd, want we zullen de zaken op orde stellen en ik zal het meteen even narekenen. En het maakt niet uit als het een ietsje meer of minder is. Zoals je verteld hebt, meisje, is het vandaag zes maanden geleden dat je getrouwd bent. Uit genegenheid voor je echtgenoot en jouzelf, zal ik slechts dertig dagen per maand tellen, ook al zijn er van 31 dagen. En, naar je vertelt, doet hij het met je zo dikwijls zowel ’s nachts als overdag dat je het aantal keren niet hebt kunnen bijhouden. Kijk, om liefdes wil tegenover jou, zal ik je een keer aanrekenen per dag en nacht samen, dat maakt zes maal dertig, wat dus, alles bijeen, 180 keer is. Het tiend, meisje, is één per tien, zodat mij achttien ten goede komen. En dan heb ik er nog meer dan achttien laten vallen, uit genegenheid tegenover je echtgenoot die je naar mij heeft gestuurd.”

     Vrouwe Tecla kuste zijn voeten en zei: “Heer, duizendmaal dank om mij zo vriendelijk te behandelen, hoewel u mij niet eens kent. Neem dus, heer, in Gods naam, het hele deel van het tiend dat u wilt.”

     Toen de pater dat zag, zei hij haar vriendelijk zich uit te strekken op de grond en hij nam het tiend van twintig keer in ontvangst. Nadat hij het had gekregen, zei hij tot de vrouw: “Kijk, meisje, ik heb van twintig keer ontvangen, maar nu wil ik niet dat je me nog meer geeft, want je kunt het niet langer volhouden omdat je te zwak bent door het vasten. Als het God belieft, zal ik bij je thuis komen en elke dag zal ik een deel van het tiend dat nog ontbreekt in ontvangst nemen.”

     “Heer,” zei de vrouw, “het nemen of laten berust in uw handen, zo’n símpele ziel ben ik niet dat ik uw tiend niet zou kunnen betalen zoals het hoort. De waarheid is, als dat even mag, dat ik u niet tekort zou willen doen met niets van het deel dat ik nog schuldig ben, en ik bid u het te komen in ontvangst te nemen zodra u maar kunt.”

     Nadat pater Juliot haar gevraagd had waar zij woonde, schold hij haar alle zonden kwijt en voegde eraan toe: “Kijk, lieve kind, met deze biecht zijn je alle zonden kwijtgescholden en ben je zo onbesmet en zuiver als de dag dat je geboren werd uit de schoot van je moeder, maar wel op voorwaarde dat je al wat er tijdens de biecht tussen ons is gebeurd, geheim houdt. Ik geef je te kennen dat wie het geheim van het sacrament van de heilige biecht openbaar maakt of onthult de tong wordt afgesneden, en dat hij na zijn overlijden terechtkomt tussen honderdduizend duivels en nooit het aanschijn van God zal zien.”

     Vrouwe Tecla antwoordde: “Heer, bij God zal ik niets vertellen over de heilige biecht. Maar, heer, ik smeek u niet na te laten langs te komen om de rest van het tiend te komen ontvangen.” En hierna kuste zij zijn handen, nam afscheid van pater Juliot en keerde naar huis terug.

     Toen zij thuis kwam, trof zij daar haar echtgenoot aan die haar zat op te wachten voor het diner, en hij zei tot haar: “Vrouwe, de biecht is je blijkbaar goed bekomen. Wat denk je over pater Juliot en zijn manier om de biecht af te nemen?”

     “Je hebt gelijk,” antwoordde zij, “het is een uitstekend man en een goede biechtvader, en hij weet zeer goed hoe naar de zonden te vragen en ze te onderzoeken. Het heeft mij zozeer bevallen, heer, dat ik nooit bij iemand anders te biecht wil gaan dan bij hem.”

     “Daarom juist,” zei de echtgenoot, “heb ik je erheen gestuurd, want ik weet dat hij een zeer omzichtig en bescheiden man is als hij de zonden onderzoekt.”

     En hierna gingen zij opgewekt en tevreden aan tafel.

     Na enkele dagen bracht pater Juliot een bezoek aan vrouwe Tecla en nam het deel van het tiend in ontvangst, en zo kwam hij dag na dag op bezoek tot het tiend helemaal vereffend was.

     Nu zie je, mijn beste Godsman, hoeveel heiligheid er heden te vinden is bij jullie kloosterlingen die je hebt genoemd. Je zou er goed aan doen te zwijgen en je gewonnen te geven. En als je dat niet wilt doen, kun je er zeker van zijn dat ik zal spreken en het antwoord dat ik je zal geven zal je geenszins bevallen. Om je niet te misleiden zal ik je op de hoogte brengen van tal van zaken van kloosterlingen zodat je haast zult denken dat ik in een klooster heb geleefd of dat ik lid ben geweest van elk van die kloosterordes.’

     ‘Heer Ezel, het slechte gedrag van die pater Juliot doet geen afbreuk aan de andere kloosterlingen of hun heiligheid, net zoals de zonde van Judas, die onze verlosser Jezus Christus heeft verkocht, geen afbreuk heeft gedaan aan de andere apostels. Judas werd omwille van zijn laaghartigheid verdoemd tot de hel, en de andere apostels kregen, dankzij hun goede en heilige werken, een plaats in het paradijs. Zo zal pater Juliot in de andere wereld verdoemd worden en de andere kloosterlingen beloond voor hun goede werken. Bovendien, heer Ezel, is de zonde van ontucht zo natuurlijk dat geen mens ter wereld, tenzij door een bijzondere genade van God, ervan gespaard blijft. Daarenboven is de schoonheid van de vrouw een echt vergif, een dodelijk venijn dat de blik van de man verblindt en dat hem altijd doet bezwijken en in die zonde laat vervallen. Je weet heel goed dat het de vrouw was die onze vader Adam heeft verleid, die de grote koning David heeft verleid, die de grote wijze Salomon heeft verleid, die de edele en sterke Samson heeft verleid. En aangezien die pater Juliot niet de volmaaktheid van onze vader Adam bezat, noch de grootheid van koning David, noch de wijsheid van Salomon, noch de kracht van Samson, die met al hun volmaaktheid, grootheid, wijsheid en kracht zich niet konden verweren tegen de vrouwen, moet je het pater Juliot ten goede houden. Je moet trouwens rekening houden met het feit dat die vrouwe Tecla, zoals je hebt verteld, zo mooi was dat zij een engel leek van de hoogste rangorde. En het was door de grote schoonheid van die vrouw dat pater Juliot in die zonde is vervallen, maar de andere kloosterlingen begaan of vervallen niet in die zonde en evenmin in een andere van de zeven hoofdzonden.’

     De Ezel geeft fra Anselmus ten antwoord: ‘Fra Anselmus, halsstarrig als je bent, wil je ons vijgen voor citroenen verkopen als je zegt dat jullie kloosterlingen de zeven hoofdzonden mijden. Daarom wil ik je op de hoogte brengen en je laten in zien dat jullie kloosterlingen deze zeven hoofdzonden begaan, en ik zal dat doen op een manier zodat je niet anders zult kunnen dan je erbij neerleggen dat wat ik zeg de waarheid is. Je moet weten, fra Anselmus, dat de zeven hoofdzonden de volgende zijn: hovaardij, gierigheid, ontucht, gramschap, gulzigheid, afgunst en luiheid. Ik zal je nu zeven verhalen vertellen, een voor elke zonde, waarmee je duidelijk zult zien hoe jullie kloosterlingen de zeven hoofdzonden begaan. Maar eerst moet ik de hoogedele en machtige vorst, mijn heer en koning, toelating vragen, aangezien ik met het vertellen van deze geschiedenissen te lang zal uitweiden, en ik zou hem er niet graag mee willen vervelen.’

     Toen zei de koning tot de Ezel: ‘Beste weerlegger, maar al te graag zou ik die verhalen willen aanhoren, en je moet weten dat je woorden aangenaam en oorstrelend zijn. Begin ze dus, in godsnaam, maar te vertellen.’

 

     [Het Verhaal van Joan Ester en de grote abt]
    

     (Het verhaal van de priester uit Perusa en Francesco de Nèrnia)

 

     ‘Fra Anselmus, nu de stad Perusa af was van de heerschappij van de geestelijkheid, hadden de inwoners nog een priester en pastoor van de Sint-Jan-de-Onthoofdeparochie. Daar woonde een zeer mooie vrouw die Marroca heette, een erg devoot meisje dat vaak de mis bijwoonde in die Sint-Janskerk. De kapelaan werd, geboeid door de schoonheid van dat meisje, gek van verliefdheid op haar, zodanig dat wanneer hij haar in de kerk zag, hij zijn verstand verloor. En op de feestdagen hief hij, als hij de mis zong en haar in het oog kreeg, het contrapunt van het Kyrieleison op enige wijze aan, kweelde hij het Sanctus prachtig alsof hij een nachtegaal was, en bij het Agnus Dei deed hij echte wonderen. Verschillende keren gebeurde het dat, als hij zich omkeerde om ‘Dominus vobiscum’ te zeggen en hij die vrouw onder al die andere ontwaarde, hij in plaats van ‘Dominus vobiscum’ te zeggen, een flink luid ‘Alleluja’ uitbracht. Zodat, aangezien hij die liefdespijn niet langer kon uithouden, hij op een dag dat de vrouw alleen in de kerk was, hij zijn schaamtegevoelens overwon en haar zijn hartsgeheim onthulde. De vrouw antwoordde hem op bitse toon, want zij was goedhartig en kuis, en zij ging naar huis waar zij zich beklaagde bij haar man en hem op de hoogte bracht van alle details die de kapelaan haar had gezegd. Toen hij dat verhaal van zijn vrouw hoorde, begaf de man zich meteen naar de bisschop om zich over dat alles te beklagen, en hij zei: “Hoogeerwaarde heer, ik ben gekomen omdat u onze herder bent en wij uwe schapen zijn. U weet beter dan ik dat u de plicht hebt ons te beschermen tegen de wolven die ons willen verslinden en degene die van de rechte weg afwijkt terug in goede banen te leiden. En zo zijn op alle niveaus alle parochiegeestelijken, pastoors en kapelanen die de zielen leiden, ook onze herders. De goede herders moeten hun ziel wijden aan hun schapen, zoals de ware herder, Jezus Christus, heeft gedaan. Welnu, onze herder, die pastoor is van Sint-Jan de Onthoofde, gedraagt zich niet zo, integendeel: hij legt het eropaan dat zijn schapen afdwalen en de goede weg verlaten, zodat de wolf, die niets minder is dan de duivel, hen kan verslinden. Daarom, hoogeerwaarde heer, ben ik naar u, die zijn en onze herder bent, gekomen om mijn beklag te doen.” En de jongeman vertelde toen al wat de kapelaan tegen zijn vrouw had gezegd. Je had toen, fra Anselmus, het meedogenloze gezicht moeten zien dat de bisschop trok! Hij was echt boos en ontstemd om wat die kapelaan had gedaan, en hij zei: “Ik beloof je dat ik recht zal laten wedervaren zodat alle pastoors er een voorbeeld aan kunnen nemen.”

     En meteen stuurde hij een bediende uit om de kapelaan bij zich te roepen. De jongeman, die het gebaar en de bedreigingen van de bisschop zag, zei in zichzelf: “Hij zal hem ongetwijfeld opsluiten en hem een flink pak stokslagen laten toedienen om hem daarna te veroordelen tot eeuwige gevangenschap. Hij verdient het echt.”

     Toen kwam de bediende terug in gezelschap van de priester, die van kleur was verschoten alsof hij Jezus Christus zelf had omgebracht, en daarover verheugde de jonge echtgenoot zich zeer. De bisschop schreeuwde hem inderdaad met zoveel verontwaardiging toe dat het leek dat hij hem wilde opeten: “Zeg eens, schofterig en verachtelijk varken, waar heb je het lef en verwaandheid vandaan om de vrouw van deze parochiaan van je te begeren?”

     Als goede priester, die wist dat de bisschop elke dag dergelijke en ergere dingen uithaalde, antwoordde hij zonder de minste vrees of schaamte: “Hoogeerbiedwaardige heer, wat deze jongeman u verteld heeft is waar. Al wat ik echter aan zijn vrouw gezegd heb, was slechts een spel, om me te amuseren terwijl ik met haar sprak, zoals ik trouwens doe met de andere vrouwen van de parochie. Monseigneur kent mij, en weet dat ik zulke daden nooit doe.”

     De bisschop zei hierop: “Juist daarom vond ik het zo vreemd.” En hij richtte zijn blik op de echtgenoot en zei hem: “Goede man in de vreze Gods, je hebt gehoord dat wat de priester tot je vrouw heeft gezegd slechts spel was en je hoeft dat niet mis te verstaan.” En hij wendde zich tot de priester en zei hem: “Uit hoofde van de heilige gehoorzaamheid beveel ik je dat je gedurende drie dagen de kerk niet betreedt.”

     Toen de echtgenoot vaststelde welke schitterende rechtspraak de bisschop tegenover zijn priester er wel op nahield, stapte hij op zonder afscheid te nemen en begaf zich naar het paleis van de Senyoria om zijn beklag te doen bij de podestá. Toentertijd was de podestá van Perusa een nobele Florentijn, Lippo dell’Isola genaamd, een edelmoedig en rechtvaardig man. Na de klachten en uitroepen van de jongeman te hebben aanhoord, zei hij: “Ga je beklag maken bij de bisschop.”

     En de jongeman zei: “Dat heb ik al gedaan alvorens naar hier te komen, edelachtbare.” En hij vertelde en legde hem het hele gebeuren uit, en welk het vonnis was dat monseigneur de bisschop had uitgesproken over de priester.

     Toen misser Lippo hoorde welk vonnis de bisschop had uitgesproken, zei hij tot de jongeman: “Ga nu maar, en als je morgenochtend terugkomt, breng dan enkele gezellen mee. Als de priester uit de kerk komt, geef je hem een flink pak stokslagen tot je hem halfdood achterlaat. Maar wacht je ervoor hem te doden. Daarna ga je gewoon naar huis en maak je verder niet ongerust, want de klachten zal ik in ontvangst nemen, en ik weet al wat ik moet doen.”

     Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. De jongeman bracht drie mispelstokken bijeen en de volgende dag stelde hij zich met twee gezellen op vinkenslag tegen de tijd dat priester de kerk zou verlaten. Ze grepen hem vast, dienden hem een pak stokslagen toe en lieten hem halfdood achter. Onmiddellijk kwamen de andere geestelijken uit te kerk, en toen ze hem in die staat aantroffen, wisten ze meteen dat het alleen maar het werk kon zijn van de echtgenoot van die vrouw. Ze tilden de priester op van de grond, legden hem in een kist, in de staat waarin hij zich bevond, en ze droegen hem naar het bisschoppelijk paleis.

     Toen de bisschop zag hoe slecht zijn priester eraan toe was, liet hij meteen de klok luiden. Terstond kwamen de priesters, kapelaans en geestelijken van alle ordes toegestroomd die het erover eens waren dat een dergelijke schande ontoelaatbaar was en dat, als men dergelijke zaken ongestraft liet, de wereld onleefbaar werd, want elke dag zouden de leken met de geestelijken hetzelfde doen. “Laten we dus onze plicht doen, en dat die jongeman maar wordt opgehangen als voorbeeld en straf voor alle andere, en zo zullen wij kunnen doen en laten naar believen en niemand zal ons nog durven schade te berokkenen.”

     De optocht was gauw samengesteld, de klokken luidden, ze zongen ‘Requiem aeternam’ en ze begaven zich, terwijl ze de priester in de kist meedroegen, richting het paleis van de overheid. Toen ze de optocht zagen voorbijtrekken, waren de inwoners erg verbaasd, omdat ze niet wisten wat er aan de hand was. Enkele mannen gingen naar het paleis hun opwachting maken bij de podestá, misser Lippo, en ze vertelden hem dat de bisschop, de priesters en geestelijken in een grote stoet op weg waren naar het paleis. Misser Lippo liet echter blijken niets van dat alles te weten.

     Toen de optocht het paleis bereikte, stond misser Lippo recht en nodigde de bisschop uit naast hem te komen zitten, en daarna liet hij alle meesters in de theologie plaatsnemen, de kanunniken en doctors, elkeen volgens zijn rang. Het hele paleis raakte vol volk, voornamelijk inwoners van de stad die zich verwonderden over die plechtigheid en mee waren opgestapt om erachter te komen waarom die optocht was georganiseerd. Zodra de kerkelijke vertegenwoordigers en geestelijken hadden plaatsgenomen en het volk stil werd, zei misser Lippo: “Hoogeerwaarde heer, alle vertegenwoordigers, raadsleden van deze stad en ikzelf zijn verwonderd dat u gekomen bent in gezelschap van al deze achtenswaardige en edele heren van de geestelijke stand. Wij zouden graag weten, mede vanwege de manier waarop u gekomen bent, welke reden u daartoe heeft aangezet.”

     Nadat de bisschop in een groot sermoen had uitgelegd hoe de Moeder de Heilige Kerk verdiende geëerd, gevreesd en gewaardeerd te worden, hoe Salomon had voorgeschreven dat de arts de nodige eer verdiende om reden van de grote behoeften en hoe de geestelijken artsen zijn voor de ziel en dus eveneens met de nodige eer behandeld dienden te worden, vertelde hij hoe een inwoner van de stad, Francesco de Nèrnia, een van zijn priesters had omgebracht, of toch bijna. Hierop liet hij de kist openmaken en toonde hij de priester die meer dood dan levend was. Bij de aanblik van de zo toegetakelde priester, deed misser Lippo alsof hij stomverbaasd was, en hij zei tot de bisschop: “Heer bisschop, ik laat meteen Francesco de Nèrnia naar hier halen, en als het waar is dat hij deze misdaad heeft begaan, zal hij een voorbeeldige straf krijgen.”

     En meteen stuurde hij tien bedienden uit om die Francesco te gaan halen en voor te leiden, en voegde eraan toe: “Begeef jullie ijlings naar de woning van Francesco de Nèrnia, en als jullie hem hebben opgepakt en gekneveld, brengen jullie hem naar hier.”

De bisschop en alle aanwezige geestelijken verheugden zich hierover ten zeerste, overtuigd als ze waren dat de podestá, die ze vol gramschap zagen, hem meteen zou doen ophangen.

     Nog geen halfuur later leidden de bedienden Francesco gekneveld en vastgebonden en met het touw om zijn hals voor. En meteen schreeuwde misser Lippo hem toe: “Zeg eens, walgelijke en verdorven dorper, waar heb jij al die hovaardij en verwaandheid vandaan om deze priester zo te mishandelen?”

     “Heer,” zei Francesco, “de waarheid is dat ik dat inderdaad die priester heb aangedaan, omdat hij mijn vrouw het hof maakte en haar lichamelijk geerde.”

     En misser Lippo zei: “Verdorven verrader, je hoefde je niet te wreken met je handen. Je had je beklag moeten doen bij de bisschop, hier aanwezig.”

     “Heer,” zei Francesco, “ik ben onmiddellijk mijn beklag gaan maken bij de heer bisschop.”

     “En welk recht heeft hij gedaan?” vroeg misser Lippo.

     De jongeman antwoordde: “Heer, een erg wreed en barbaars vonnis, aangezien hij hem opdroeg drie dagen lang de kerk niet te betreden, en dat voor een verdorven iemand die nog liever een jaar in een bordeel zou willen doorbrengen dan een dag in de kerk.”

     “Luister,’ zei misser Lippo, “om wat je die priester hebt aangedaan, ontzeg ik je nadrukkelijk drie dagen de toegang tot een taveerne, en als dat nog eens gebeurt, zal ik ervoor zorgen dat je meer dan drie dagen in geen taveerne noch bordeel komt.”

     Toen de bisschop zag welk recht misser Lippo sprak, voelde hij zich bespot en zei tot hem: “Wat voor rechtspraak is dat?”

     “Heren,” zei misser Lippo, “ik doe hem meer recht dan de heer bisschop deze jonge man heeft gedaan, want voor hem is het een grotere straf drie dagen geen taveerne te mogen betreden dan voor uw priester een heel jaar niet in de kerk te mogen gaan. Houd dus uw geestelijken in de gaten, want als ik vanaf nu vaststel dat ze dergelijke dingen uitsteken, zweer ik bij het lichaam van Jezus Christus dat ik recht zal doen wedervaren op een manier dat iedereen er de mond vol zal van hebben. En nu kunnen jullie opstappen, of het jullie gelegen komt of niet. Denken jullie dat jullie de streken die jullie plachten uit te halen toen jullie nog de baas konden spelen nog toegestaan of geduld worden? In geen geval. Jullie zal de eer worden bewezen die jullie verdienen.”

     Toen de bisschop en de andere zagen hoe woedend misser Lippo wel was, liepen ze ieder hun kant uit, zonder optocht noch klokgelui.’

 

     [Het verhaal van fra Joan Osset en de zeeman]

     

     [Het verhaal van fra Francesc Sitges en Nadalet]

                                                                           

     [Het verhaal van Aimeric de Grave]

         

     [Het verhaal van fra Joan Companyó en Caterina]

     

     [Het verhaal van de minderbroeder en de predikheer]

     

     [Zestiende argument van het dispuut]

     

     [Zeventiende argument van het dispuut]

     

     [Achttiende argument van het dispuut]

     

     (Negentiende argument van het dispuut)

 

     Fra Anselmus nam het woord en zei: ‘Heer Ezel, een ander argument dat aantoont dat mijn mening de juiste is, ik bedoel dat wij, adamskinderen, van hogere stand en waardigheid zijn, is dat de almachtige God mens is geworden, waardoor Hij zijn hoogverheven goddelijkheid heeft verenigd met onze menselijkheid. Hij heeft daarbij niet jullie gestalte en aanschijn aangenomen, maar gedurende een hele tijd is Hij onze broeder geweest en was Hij van moederszijde een zoon van Adam, net zoals wij, waardoor ons vlees heden ten dage daarboven in de hoogste hemel een plaats kreeg toegewezen. Daarover spreekt Johannes in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie: “Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Hierover zegt Augustinus: “Het woord van de Heer is de Zoon van de Vader.” Dat wil zeggen dat Jezus Christus in de eeuwigheid de zoon is van de Vader en in de tijd zoon van de moeder. Deze waardigheid die ons toebehoort, overtreft alle andere waardigheid en eer. Daarom moeten wij, uit hoofde van een heilige en rechtmatige reden, jullie heren zijn en jullie onze vazallen en onderdanen. Zoals de grote profeet, koning David, zegt: “Heer, alles hebt Gij aan hen onderworpen,” waarmee bedoeld wordt alle andere dieren, de vogels in de lucht en de vissen in de zee. En deze koninklijke profeet zegt nog meer in zijn psalm 8: “Heer, Gij hebt hem gemaakt net onder de engelen, Gij hebt hem gekroond met glorie en waardigheid, Gij hebt hem geplaatst op de werken van Uw handen.” Hierdoor wordt overduidelijk en onmiskenbaar bewezen dat door al deze argumenten wij van een hogere stand en waardigheid zijn dan jullie en dat wij vanwege eerlijke en juiste rechtvaardigheid jullie heren zijn, en jullie onze dieren, onze vazallen, slaven en onderdanen.’

     De Ezel antwoordde: ‘Het spreekwoord, fra Anselmus, zegt dat de mens sterft aan het kwaad dat hem afschrikt. Het moet me echt van het hart dat, telkens als je me zei dat je een ander argument had dat wilde bewijzen dat jouw opvatting waar was, ik het haast bestierf van angst dat je het argument zou beginnen te ontvouwen dat je daarnet hebt aangehaald. Ik kende het maar al te goed, alsook tal van andere die nog meer onomstootbaar en passender zijn dan wat je hebt uiteengezet, maar je herinnerde ze niet omdat je al een hele tijd de boeken van de Heilige Schrift niet meer onder ogen hebt gehad of gelezen hebt. Zoals de uitspraak in het eerste hoofdstuk van Genesis, waar de almachtige God tot Adam en Eva zei: “Vermenigvuldig, en vervul de aarde en onderwerp ze, en heb heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte dat op de aarde kruipt,” en tal van andere, die ik hier niet wil vermelden, omdat ik bang ben dat anders de toespraak te lang zou worden. Zodat, hoogeerwaarde meester, ik tegenover jou erken en toegeef, en omdat ik de waarheid niet langer weerstand kan bieden of tegenspreken, dat de adamskinderen van een hogere rang en stand zijn dan wij, dieren, en dat de almachtige God ons geschapen heeft om jullie te dienen, en hiermee heeft de goede Heer grote eer bewezen aan jullie, en aan ons heeft hij geenszins onrecht berokkend of ons gesmaad, want al Zijn werken zijn eerlijk, rechtschapen en waar.’

     Toen de Ezel was uitgesproken, nam de koning het woord en ziehier wat hij zei: ‘Fra Anselmus, vóór ik je kende en had horen spreken over je kennis en de fijnzinnigheid van je verstand, geloofden wij er een deel van en een ander niet. Nu zien wij echter dat alles waar is wat men overal ter wereld vertelde en verspreidde over je kennis en je scherpzinnig vernuft. Zodat je inderdaad met recht en reden gewonnen hebt. En ik en alle eerbiedwaardige vrijheren van mijn hof aanvaarden dus dat jouw opvatting waar is, en dat betekent dat jullie, adamskinderen, van een hogere rang en stand zijn dan wij, dieren, en dat jullie rechtmatig onze heren zijn en wij jullie vazallen. Het is nu eenmaal zuivere waarheid dat je de zon niet kan afdekken met een vergiet. Wij bidden en verzoeken je al je krachten te willen aanwenden om te prediken, uit te leggen en aan de adamskinderen mee te delen dat wij, arme dieren, ons aan hen aanbevelen, en Hij die leeft en heerst in alle eeuwen der eeuwen zal ons ervoor belonen.’

     Nadat hij dit gezegd had, verliet hij de tuin in gezelschap van alle dieren. En ik reed, ten zeerste voldaan en opgelucht deze zaak te hebben gewonnen, naar huis terug.

     God zij dank. Amen.

 

      HIER EINDIGT HET DISPUUT VAN FRA ANSELMUS MET DE DIEREN, AAN WIE FRA ANSELMUS MET VEEL SCHERPZINNIGE ARGUMENTEN AANTOONT DAT DE KINDEREN VAN ONZE VADER ADAM VAN EEN HOGERE RANG EN STAND ZIJN DAN DE DIEREN.

      HET DISPUUT VAN FRA ANSELMUS TURMEDA WERD BEËINDIGD IN DE STAD TUNIS, DE 15de SEPTEMBER VAN HET JAAR 1418.

 

      EINDE VAN HET TRACTAAT



De volledige tekst van deze vertaling is inmiddels als pdf opgenomen op onze site. Waar ingekort werd zijn vierkante haken te vinden.

      Noten

[1] Hij verwijst hier naar het Liber de propietatibus rerum van Bartholomeus Anglicus.