Het nieuwe Reynaertdrama in het Land van Waas
Het Reynaert-Juniorprobleem
J. van Hulle
Verantwoording
In 1989, na bespreking van het dierenepos Van den Vos Reynaerde, kregen studenten van de Broedershandelschool van Sint-Niklaas de opdracht zich in groepen te verdelen. Elke groep moest een eigen verhaal schrijven met betrekking tot de besproken materie. Een groep, waarvan mijn kleinzoon deel uitmaakte, trok erop uit met een fototoestel, een paar maskers en vooral met veel goede moed. In de omgeving van Klein-Sinaai en Belsele werd een fotoreportage gemaakt. Een passend verhaal verzinnen verliep niet zo vlot. Enkele “probeersels” vonden geen genade. Het moest een origineel verhaal worden dat anderzijds toch voldoende aansloot bij het besproken boek. Nadat men mij om raad had gevraagd, bekeken wij samen de fotoreportage en de “probeersels”. Daarop schreef ik een volkomen fictief verhaal, met een studentikoos accent en lichtjes aanleunend bij de actualiteit van toen (o.a. de schietpartij in Voeren). Het verhaal werd enigszins bedoeld als een lichte parodie op het vrij zwaarwichtige dierenepos. Met al die gegevens heeft de groep dan een bundel samengesteld, aangevuld met een geluidsband waarop het verhaal werd verteld, opgeluisterd door achtergrondmuziek. Begin 1999 stootte ik op het kladje van het oorspronkelijk verhaal. Ik besloot de Reynaert-juniorstory enigszins te herwerken. Ik wilde meer duidelijkheid scheppen, maar het verhaal bleef fictief. De uitgebeelde personages en feiten hebben niets te maken met bestaande personen en gebeurtenissen.
Maart 1999, Jozef Van Hulle, Heikant 22, 9190 Stekene
Alle rechten voorbehouden.
V O O R W O O R D
De commissie, samengesteld om enig licht te werpen op de verwarde geschiedenis van “Den Vos Reynaerde” in het algemeen, maar vooral op het het Reynaert-juniorprobleem in het bijzonder, heeft na diepgaand onderzoek haar bevindingen in het hierna volgend verslag neergelegd. Zij heeft vastgesteld dat - ondanks het vele uitstekende studiewerk van heel wat specialisten, de verwarring rond het dierenepos nog altijd niet is uitgeklaard. Ook over de meer recente Reynaert Juniorstory is niets bekend. De commissie heeft een vergelijkende studie gemaakt op grond van gegevens, die werden geput uit de “Dikke Van Dale” waarbij – uiteraard - bijzondere aandacht werd besteed aan de figuur van Reynaert Junior. Verder heeft de commissie zich ter plaatse begeven en getuigenissen gehoord van hen die bij de dramatische gebeurtenissen waren betrokken: met name koning Nobel en zijn echtgenote Zobinetti, enkele hovelingen, Melanie de leading ladykoe van Boudelo, evenals Juul het Boudelopaard. Zonder te willen verwijzen naar b.v. het Dallasfeuilleton, moet toch worden erkend dat het Reynaertepos voor herhaling en/of vervolg vatbaar is. Het zijn vooral de menselijke gevoelens en tekortkomingen die rechtstreeks of onrechtstreeks aanleiding zijn geweest tot wat zich langs de Moervaart en nabij de Boudelohoeve heeft afgespeeld in het overvloedige rapenjaar volgend op Sint-Jutemis. Hierbij moet zeker gewezen worden op de hebzucht van koning Nobel, de hang naar eerbetuiging vanwege Zombinetti, de wraakzucht van Reynaert Junior, de haatgevoelens van scherprechters Isegrim, Tybaert en Bruin de Beer. Om alles beter te begrijpen, moet eerst enkele jaren teruggegaan worden in de geschiedenis, tot de dag waarop Nobel en Reynaert Junior met elkaar werden geconfronteerd en waarbij Nobel de eerste viool speelde. Het hiernavolgende verhaal begint eigenlijk op die dag in het verleden.
H O O F D S T U K 1
Burgemeester Nobel had sinds enige tijd de Boudelohoeve als residentie uitgekozen. Met een kleine hofhouding leefde hij genoeglijk in het vlakke, rustige land langsheen de Moervaart tussen Stekene en Moerbeke. Nobel was een ietwat duistere figuur. Hij was een tafelspringer die in zijn jeugd ergens achter het oud spoorstationnetje van Klein-Sinaai woonde. Al heel vroeg had hij zich als een volksleider opgeworpen, een specimen van herout-met-wilde-haren die het lot van het volk zou verbeteren. Zijn vrouw had het hem kunnen aanpraten in de politiek te stappen. Zo kwam het dat hij op een blauwe maandag door puur toeval tot burgemeester werd verkozen. Het moet gezegd worden dat hij dat ambt met geestdrift vervulde. Op zekere dag was hij op tocht langs de Moervaart. Vergezeld van zijn politiemannen Isegrim, Tybaert en Bruin slenterde hij langs het stille water. Plots bemerkten ze drie slapende gestalten die deden denken aan een stel landlopers. Nobel en zijn mannen naderden voorzichtig. De slapers lagen luid te snurken tussen enkele lege jeneverflessen. De ordemacht sprong op de snurkers toe en nam ze in een oogwenk gevangen. Dat was een koud kunstje, gezien de totale verrassing en de versufte toestand van de dronkelappen. Stel u de verrassing van Nobel en consoorten voor, toen zij tot de ontdekking kwamen dat zij Reynaert de Vos en zijn twee trawanten te pakken hadden. Toevallig legden zij de hand op die beruchte boeven die sinds jaar en dag het Land van Waas onveilig maakten door diefstallen, inbraken en geweldplegingen. Het stel werd tot nog toe vergeefs door de politie gezocht. Zo fier als een gieter bracht Nobel de bandieten triomfantelijk naar de toenmalige vierschaar te Daknam. Onder de grote linde nabij de kerk werd recht gesproken. Burgemeester Nobel trad op als inquisiteur. Met een krachtig demagogisch pleidooi bracht hij het voor elkaar dat de rovers veroordeeld werden tot de doodstraf. Een zwakke verdediging kon niet optornen tegen de welsprekendheid van Nobel en ze moest zich neerleggen bij het uitgesproken vonnis. De veroordeelden werden met bekwame spoed opgeknoopt. Rust en vrede in het land waren hersteld. Nobel werd als redder van het vaderland gehuldigd en met veel eerbetoon omgeven. Nu haar man zo de hoogte in werd gestoken, kende de eerzucht en hovaardij van Zombinetti geen grenzen meer. Een burgemeestersjerp vond ze nu toch maar een minimum. Ze droomde ervan zo iets te worden als gouverneursvrouw of misschien wel… koningin. Dit was wellicht wel een beetje overdreven. Maar je weet maar nooit. Het kan soms raar lopen in het leven. Weer eens kwam het toeval Nobel ter hulp. Het gebeurde zo. Als vooruitstrevend politicus was burgemeester Nobel tijdens een of ander weekend met TAK gaan wandelen in de Voerstreek. Daar geraakte hij aan het bakkeleien met een visachtige man. Deze heetgebakerde man die alleen maar walibitaal sprak, greep zijn jachtgeweer en schoot burgemeester Nobel prompt een lading lichte hagel in de broek. Kermend met de handen aan het zitvlak liep Nobel gauw naar huis. Toen Zombinetti haar man in die toestand zag, met een doorzeefde broek en een paar druppels bloed op zijn nagels, schoot zij in een Daknamse koleire. De smaad haar en haar man aangedaan, zou zij bloedig wreken. Maar na een nachtje slapen dacht de sluwe Zombinetti er anders over. Hier bood zich een gelegenheid om het een trapje hoger te schoppen. ’s Morgens vroeg belde zij haar vriend Lindermans op en vertelde in geuren en kleuren wat er met haar man was gebeurd. Uit dat “ongeval” moest toch enig voordeel te puren zijn. Lindermans beloofde haar zijn uiterste best te doen. Op staande voet vertrok deze buitenlander naar het Hof van Straatsburg. Met een nooit gehoord redenaarstalent beschreef hij daar de moed en het lijden van de Europees-denkende onderdaan, Nobel de Leeuw. Hij sprak verder in vervoering over Nobels ontzagwekkende werkkracht, zijn dienstbaarheid aan het volk, zijn onovertrefbaar staatsmanschap, zijn grote visie op het toekomstige Europa. Ontroerd door dat pleidooi waren de rechters unaniem van mening dat Nobels manmoedig gedrag de hoogst mogelijke beloning verdiende. Even eensgezind besloten zij Nobel de Leeuw op te nemen in de heraldiek van de gemeenschapsvlag van de gouw Vlaanderen. Overeenkomstig de wens van Zombinetti werd daarbij aandacht besteed aan de met bloed bevlekte nagels. Zo kwam het dat Nobel voortaan werd aangesproken met de titel van koning. Zombinetti was dus koningin geworden. Lange tijd heeft zij met drie dikke builen op het hoofd gelopen. Toen zij de blijde tijding vernam, sprong zij driemaal een gat in de lucht, daarbij vergetend dat de eiken zolderingbalken van de Boudelohoeve niet erg hoog waren ingebouwd.
H O O F D S T U K 2
Na de uitroeiing van de Reynaertbende werd Malpertus, Reynaerts burcht, door het volk belegerd. Isegrim, gezworen vijand van de vos, hield een daverende toespraak. Hij jutte de massa op om dat vossentuig totaal te vernietigen. Daarom stelde hij voor de woning van Reynaert in brand te steken. Dat zou volgens hem de enige doeltreffende manier zijn om dat vossengeboefte voor goed te laten verdwijnen. Binnen de woning zat Hermeline, nu weduwe Reynaert, te beven van angst. Ze zat in een hoekje weggekropen en drukte de huilende kinderen tegen zich aan. Alle uitwegen waren door de belegeraars afgesloten. Ontkomen was niet meer mogelijk. Het gejoel en geschreeuw nam buiten alsmaar toe. De vossenfamilie zat dicht bijeengepakt in bange afwachting voor de hel die nu onvermijdelijk komen moest. Buiten stond Nobel – toen nog burgemeester - het gebeuren van op zekere afstand te bekijken. Hij zou zich, en dit uit voorzichtigheid, niet te veel met de zaak bemoeien. Je weet maar nooit. Diep in zijn hart had hij wel een beetje medelijden met de vossenfamilie… en een goed hart tonen kon ook wel voordelig zijn. Toen enkele belhamels met brandende fakkels kwamen aandraven , besloot hij om in te grijpen. Hij kwam naar voor en sprak met luide stem: “Reynaert heeft geboet. Zijn vrouw en kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de bandietenstreken van echtgenoot en vader. Wat gij nu wilt doen zal schande brengen over ons land en over ons allemaal. Ik weet wel dat vossen niet te vertrouwen zijn, maar wat gij met de weduwe Hermeline en die arme wezen zoudt willen doen is misdadig. Daarom zal ik de vossenfamilie uit ons land verbannen naar het verre Frankrijk.” Sommigen waren het niet eens met Nobels beslissing, maar de burgemeester had voldoende gezag om zijn besluit er door te drukken. Tybaert en Isegrim haalden de vossenfamilie naar buiten. Onder hoongelach en steniging werd de familie de velden ingejaagd. Gedurende vele jaren werd het rustig in het Land van Waas. Over de verbannen familie had men niets meer gehoord. Maar op een goede dag verscheen er weer een volwassen vos in het land. Het was Reynaert Junior. Hij was vast besloten zich te wreken op de moordenaars van zijn vader. Langs allerlei sluipwegen was hij, ongezien, aangekomen in de streek van Moerbeke en Klein-Sinaai. Algauw bleek dat Junior een even grote schurk was als zijn vader. Men vond kippen met afgebeten kop, katten liepen jammerend rond met afgesneden staart, schapen lagen in de wei met overgesneden keel en hier en daar geraakte een schuur op onverklaarbare wijze aan het branden. En laatst werd in het postkantoor te Moerbeke en te Stekene een pak geld gestolen. Weer heerste er onrust en onveiligheid in de streek. Dat was precies wat Reynaert Junior wilde bereiken. Schrik en paniek bij het volk zou het gezag van koning Nobel ondermijnen. Verdeel en heers was het devies van de jonge vos. Daarom trachtte hij iedereen tegen iedereen tegen Nobel in het harnas te jagen. Dat speelde in zijn kaart. Nobel stuurde speurneus Isegrim op pad. Maar deze kon enkel vaststellen dat er een vreemde snuiter door het Waasland zwierf. De sluwe vos liet zich niet ringeloren en zorgde ervoor dat er geen harde bewijzen tegen hem te vinden waren. Vermoedens en gepraat deerden hem helemaal niet. Reynaert vestigde zijn hoofdkwartier in een canadabos langsheen de Moervaart op vijfhonderd meter van de koninklijke residentie van Nobel. Een tijd geleden had een windhoos het bos grotendeels vernield. Tussen de wirwar van gebroken stammen en takken bouwde de vos een onvindbare vesting. Langs de nabijgelegen Koebrug kon hij gemakkelijk de Boudelohoeve bereiken. De vos sloot vriendschap met het Boudelopaard, de hengst Juul. Samen ondernamen zij grote wandelingen. Zo leerde Reynaert elk wegeltje en elk bruikbaar plekje kennen. En zo speelde hij het klaar om zich ongezien te verplaatsen en buiten het bereik van agenten Isegrim, Tybaert en Bruin te blijven. Bovendien bleek Reynaert een even groot verleider te zijn als vos-senior. Hij papte aan met Melanie, de dansende leading-lady-koe van Boudelo. Hij bracht haar dotjes mals gras, geurig hooi, een smakelijke raap, een lekkere maïskoek en andere fijne beetjes die hij bij de boeren kon stelen. Urenlang lagen zij samen te keuvelen in de weide. Reyn loofde Melanie om haar elegante schoonheid en haar enorme melkcapiciteit. Er was om zo te zeggen geen zoon of dochter van Melanie, of de vos had hem of haar als prijswinnaar of winnares gezien in het veehuis te Gent. Dat maakte hij haar in ieder geval wijs. De trotse koe kreeg het maar niet door dat Reyntje zat te liegen dat hij zwart zag. Vanzelfsprekend maakte de vos haar niet wijzer dan ze was. Zo kwam het ook dat Melanie honderd uit vertelde over koning Nobel en zijn hofhouding. Reyntje bleef aldus op de hoogte van al de praatjes en nieuwsjes die in de koninklijke residentie de ronde deden. Zo vernam hij ook dat er een plan opgezet werd om een soort 11.11.11.-actie op touw te zetten, kwestie van de arme boeren geldelijk te kunnen steunen. Reynaert spitste hierbij de oren. Hier zat waarschijnlijk muziek in. Over die zaak moest hij het fijne weten. Uit Frankrijk had gij afluisterapparatuur meegebracht. Toen de koning op een dag op stap was met zijn hele hofhouding, verzilverde Reynaert zijn kans. Dank zij de hulp van Melanie geraakte hij onopgemerkt in de Boudelohoeve waar hij in elke kamer een kleine microfoon verborg. Een verbinding met zijn vesting tot stand brengen was voor Reynaert geen probleem. Junior feliciteerde zichzelf met die dikke meevaller. Van nu af aan was hij haarfijn op de hoogte van het reilen en zeilen in de koninklijke residentie van Nobel, de heraldieke leeuw van de gouw Vlaanderen.
H O O F D S T U K 3
Fier als een kemphaan regeerde koning Nobel over zijn rijk aan de Moervaart. Hij werd zowel gevreesd als geëerbiedigd vanwege zijn macht en aanzien. Sinds hij tot heraldieke leeuw was verheven, kende zijn eigendunk geen grenzen meer. Om zijn heldendaad in Voeren te gedenken, vatte hij het idee op om de kerk van Belsele, binnen en buiten, met leeuwenfiguren te laten beschilderen. De pastoor was duidelijk in zijn wiek geschoten. De kunstzinnige man vreesde het ergste voor zijn kerk. Na lang gepalaver wist hij Nobel ervan te overtuigen dat de geplande schilderwerken onherroepelijke schade zouden toebrengen aan de mooie gotische en romaanse ornamenten. Nobel wilde van zijn hart geen moordkuil maken en gaf, na enige aarzeling toe. Doch hij eiste een tegenprestatie. Gesteund door Zombinetti stond hij erop dat nabij de kerk een monument werd opgericht dat het nageslacht eraan zou herinneren dat het aan Nobel de leeuw te danken was dat de Reynaertbende werd opgerold. Na een nieuwe reeks eindeloze discussies werd besloten een soliede rustbank te plaatsen. Op de rugleuning moest de berechting van Reynaert uitgebeeld worden. Af en toe kwam Nobel op een zondagnamiddag op de bank zitten om aan zijn bewonderaars breeduit te vertellen over zijn roemrijk verleden en over zijn toekomstplannen. Toch maakte Nobel zich zorgen. Een vos zaaide onrust in het land. De economie beloofde moeilijkheden. In dit gezegende rapenjaar was het weer uitstekend tot kerstmis en daarna nog wat beter. Daardoor was de rapenoogst zo overvloedig dat de marktprijs volledig instortte. En dat betekende armoede in het verschiet. De koningin suggereerde een geldomhaling op touw te zetten. Nobel vond dat een uitstekend idee, des te meer daar er geen duidelijk onderscheid was tussen staatskas en privéschuif. Zo gebeurde het af en toe dat – louter toevallig - een en ander werd “mislegd”. Nobel zag “brood” in de zaak en lanceerde met veel bombast een bijzondere 11.11.11.-actie, met plakkaten en pamfletten en aangevuld met een stel propagandisten die alle huizen bezochten. De eerste berichten over de inzameling waren zeer gunstig. Nobel vond het dan ook verstandig enkele uitslagen – vanzelfsprekend slechts gedeeltelijk - op grote affiches te publiceren met cijfers die door de bevolking met belangstelling werden geraadpleegd. Grimbeert de das fungeerde als ontvanger van giften en belastingen. Dag en nacht was de tolmeester in de weer om de gelden te verzamelen en ze veilig op te bergen. De wantrouwige das, eerlijk als goud, had - althans volgens de koning - de vervelende gewoonte om de gelden in een geheime plaats te deponeren. Hij gaf wel cijfers vrij, maar weigerde halsstarrig zijn bergplaats bekend te maken. Pas nadat hij de rekening kon afsluiten, droeg hij de gelden trouw over aan de koning. Voor wat de opbrengst van de 11.11.11.-actie betreft, handelde hij precies op dezelfde wijze. Wel werden cijfers bekend gemaakt, maar het geld bleef op de geheime plaats verborgen. Niemand kon vermoeden dat deze handelwijze de aanleiding zou worden van een reeks drama’s.
HOOFDSTUK 4
Op zekere zaterdagavond genoot koning Nobel van een uitgebreid diner in de ruime eetkamer van zijn residentie. Plots werd de deur opengegooid en twee hovelingen droegen een bloedende Grimbeert de kamer binnen. Totaal verrast kreeg Nobel kippenvel toen hij al dat bloed zag. Hij voelde zijn hart ineenkrimpen en kreeg het angstige vermoeden dat er onheil dreigde. Hij sprong op, liep naar de zwaargewonde das en knielde bij hem neer. “Beste Grimbeert, vertel mij, wat is er gebeurd,” vroeg hij. De das had grote moeite om te spreken. “Sire… een overval… het laatste geldtransport… verloren… ik heb gevochten… de bandiet was te sterk,” zuchtte hij. “Wie was het?,” vroeg Nobel met aandrang. “Ik geloof een vos. Ik heb hem niet goed herkend… te donker… te groot en te sterk, Sire,” bracht de das met moeite uit. Grimbeert verloor het bewustzijn. “Roep dokter Canteclaer,” brulde de leeuw. Hij greep de das bij de schouders. “Waar ligt het geld?” tierde Nobel. “Grimbeert waar is het geld van onze actie?” Ondertussen was de haan binnengekomen. In één oogopslag zag hij dat de das aan het sterven was. Hij vroeg Nobel om de zwaargewonde met rust te laten, dan zou hij onderzoeken wat hij nog kon doen om het leven van Grimbeert te redden. Maar Nobel was voor geen rede vatbaar. Hij dacht aan dat vele geld dat dreigde verloren te gaan. Ruw stootte hij Canteclaer opzij, greep de gewonde tolmeester beet en schudde hem onmeedogend door elkaar. “Waar ligt het geld?,” brulde de leeuw. Waar hebt gij het actiegeld verborgen? Zeg het of ik zal het uit uw lijf schudden.” De das kwam nog even bij zinnen. In een uiterste inspanning fluisterde hij nog: “Sire… tiendenschuur… brug… geknakte boom… daar li… lig… “ Grimbeert werd slap. Hij was dood. Nobel liet zijn dode dienaar vallen, stond weer recht en ijsbeerde door de kamer. Plots bleef hij met een schok staan. Als een standbeeld bleef hij, zonder enige beweging, in de verte staren. Waar ligt dat geld? Waar… spookte het door zijn geest. Langzaam herstelde hij van de slag. “Roep mijn speurders,” beval hij nors. Isegrim, Tybaert en Bruin werden - ondanks de duisternis - erop uitgestuurd om bij de tiendenschuur naar de ”schat” te zoeken. Vanzelfsprekend was dat op dat ogenblik niet mogelijk, ondanks het gebruik van toortsen. De volgende dag werd de speurtocht hernomen. De omgeving van de brug werd zorgvuldig uitgekamd. Er waren enkel sporen te vinden van een bloedig gevecht. Toen de speurders verslag uitbrachten bij Nobel zat deze met een woeste trek op zijn gezicht in zijn zetel op zijn nagels te bijten. Hij bleef dagen lang niet aanspreekbaar. Het enige wat hij toen zei was: “Bij voorrang het geld zoeken en bij gelegenheid de vos oppakken en naar Boudelo brengen.” De speurders wisten nu waaraan zich te houden. Met gemengde gevoelens begonnen zij aan deze bijna hopeloze taak.
HOOFDSTUK 5
In zijn vesting likte Reynaert Junior zijn wonden. De raid op Grimbeert was beslist geen succes geworden, niettegenstaande de goede voorbereiding. Dat lag hem zwaar op de maag, maar het was niet te herdoen. Het was een feit dat Junior zich deerlijk had misrekend met Grimbeert. De das was wel klein van stuk maar sterk en ongelooflijk moedig. Hij vocht als een duivel ondanks de vele messteken die zijn aanvaller hem toebracht. Aanvankelijk had de vos de das willen dwingen om hem bij de 11.11.11.- schat te brengen, of toch minstens die laatste zak geld te laten binnenrijven. Het woeste verzet van de das stuurde dit plan in de war. De vos moest heel wat slagen en beten incasseren. Op zeker ogenblik kreeg Reynaert zulk een zware oplawaai op zijn kop, dat het hem zwart voor de ogen werd en hij groggy achteruit wankelde. Toen hij weer bij zijn positieven was en weer helder kon denken, bleek de das verdwenen te zijn. Ook de zak met geld die Grimbeert bij zich had was weg. De vos kon de moed niet meer opbrengen om naar de zak te zoeken in de duisternis. Het gevecht had plaats gevonden op de brug over de Moervaart. Er waren twee mogelijkheden: ofwel had de das de zak geld alsnog meegenomen, ofwel was de zak tijdens het gevecht in het water gevallen. In beide gevallen was de vos het geld kwijt. Junior trok zich mistroostig in zijn hol terug waar hij zijn frustraties zo hard weg vloekte dat de takken ervan kraakten. Toen hij wat gekalmeerd was, ging hij aan zijn luisterpost zitten. Zo vernam hij de dood van Grimbeert, de opsporingsopdracht om het geld terug te vinden en ook dat hij genoemd was als de mogelijke dader van de overval op de tolmeester. Laat in de nacht beluisterde hij een gesprek tussen Nobel en Zombinetti. Hij hoorde de leeuw spreken over de laatste resultaten van de 11.11.11.-actie die Grimbeert de dag voor zijn dood aan de koning had bezorgd. Reyntjes oren begonnen te tuiten toen hij die getallen hoorde. Men kon werkelijk gewagen van een schat. Het was duidelijk dat men in Boudelo in het ongewisse bleef over de bergplaats van het geld. Alle hoop was gevestigd op Isegrim, Tybaert en vooral op de fijne speurzin van Bruin de beer. Reynaert Junior voelde aan dat hij uit zijn pijp zou moeten komen. Hij was een verdachte in de moord op de das. En er was kwestie van een 11.11.11.-schat. Een etmaal lang bestudeerde Junior de situatie. Om helder te kunnen denken at noch dronk hij gedurende deze tijd. Zo rijpte bij hem het plan om een dubbelslag te slaan: wraak nemen en de schat inpikken. Reynaert kende de intelligente speurzin van Bruin. Die zou hem wel naar de schatkamer brengen. Daarna zou hij met hem afrekenen. Hij moest zich dus op de beer concentreren. Naar wat de vos meende waren Tybaert en Isegrim aan de domme kant. Maar hun dwaze onberekenbaarheid kon eventueel stokken in de wielen steken. Die moesten dus vooraf uitgeschakeld worden. Alles moest planmatig geschieden. Het werd tijd om Melanie en Juul als spionnen op het schaakbord in te zetten.
HOOFDSTUK 6
De volgende dag achtte de vos het ogenblik gekomen om zich in het openbaar te laten zien. Hij slenterde tot bij Melanie en bracht haar een extra lekkere maïskoek mee. Dicht bij de straatkant lagen beiden in het gras te zonnen. Na een poos bracht Rein het gesprek op de dramatische dood van Grimbeert de das. Hij keek Melanie trouwhartig aan en zei: “Ik vind het heel erg voor de arme tolmeester. De dood van de das bezorgt mij een probleem.” Melanie bekeek haar gezel met vragende blik. “Stel u voor,” ging Reynaert verder, "de politie denkt dat ik de das heb overvallen. Dat vind ik ongehoord. Ik ben de hele dag en avond thuisgebleven.” De koe schudde meewarig het hoofd. “Ik kan niet geloven dat gij zoiets zoudt kunnen doen,” zei ze. Reynaert beaamde haar gezegde volmondig. Hij keek Melanie smekend aan en zei: ”Melanie, gij kunt mij helpen. Als men u moest ondervragen, zeg dan dat ik op zaterdagavond de hele tijd bij u gebleven ben. Wilt gij dat voor mij doen?” Net op het ogenblik dat Melanie wou antwoorden, kwam Isegrim hun kant uit. Toen hij de vos naast de koe zag liggen, kwam hij toegeschoten, grommend, de nekharen stel rechtop en de tanden ontbloot. “Schurk, bandiet, moordenaar,” brulde de wolf tegen Reynaert. “Gij hebt zaterdagavond Grimbeert vermoord. Ik neem u gevangen. Ik zal u bij het nekvel pakken en voor de rechtbank slepen. Gij zult voor uw misdaad boeten.” In tegenstelling tot de briesende wolf bleef Reynaert Junior heel kalm. Hij zette een hooghartig gezicht op en zei: “Isegrim, jongen, loop uzelf niet voorbij. Gij durft mij zo maar van moord beschuldigen en dat zonder enig bewijs. Vraagt maar aan Melanie hier waar ik zaterdagavond was. Wij hebben hier, precies op dezelfde plaats de hele avond over koetjes en kalfjes gepraat, nietwaar Melanie?,” besloot hij vragend aan de koe. De vos trok een verliefde snuit naar Melanie. Toen deze de vragende blik zag in de ogen van de wolf, knikte zij heel bedachtzaam van ja om de beweringen van Reynaert te bevestigen. Isegrim keek beduusd en probeerde nog: ”Maar ik dacht…”. De vos nam hem het woord af en sneerde: “Dat denken, hé jong! De kat dacht ook lang na of zij de muis wel zou eten en ondertussen viel zij van honger dood.” De wolf begreep de spot van Reynaert blijkbaar niet. Hij was duidelijk in de war. De sluwe vos zag en greep zijn kans. “Luister eens naar mij Isegrim. Ik zou heel kwaad kunnen worden en u een proces wegens smaad aan het been lappen. Maar omdat ik goed van hart ben, zal ik dat niet doen. Doch als tegenprestatie moet gij mij bij iets helpen. Gij zult dat vast en zeker kunnen, want ik heb gehoord dat gij de beste speurder zijt van heel het land.” Nu was Isegrim helemaal in de war. Hij was gevleid, wist niet goed wat zeggen en welke houding aan te nemen. De vos had heel wat binnenpretjes om de stunteligheid van Isegrim. Reynaert nam afscheid van Melanie. Hij fluisterde haar een woord van dank in het oor met de belofte van morgen nog wat lekkers te brengen. Hij stapte op Isegrim toe en legde deze op vertrouwelijke wijze de arm om de schouders. “We gaan een stukje wandelen, dan leg ik u wel uit waarover het gaat,” zei hij. De vos en de wolf wandelden door de velden. Bij een weide bleven zij staan. De wolf had er geen erg in dat op een naburig grasland Juul de Baudelohengst stond te grazen. Reynaert krabde zich achter het oor en zei temerig: “Kijk Isegrim , ik weet dat mijn vader veel kwaad heeft gedaan. Daaraan kan ik niets meer veranderen. Maar voor mezelf heb ik besloten te proberen iets goed te maken. Isegrim voelde zijn achterdocht weer groeien en bromde: “Larie en apekool man, hoe zoudt gij dat nu kunnen?” Reynaert zweeg een hele tijd en keek de wolf met zulke intense blik aan dat deze er zich ongemakkelijk bij voelde. Toen haalde Reynaert een papier uit zijn zak samen met een briefje van 5000 frank. Hij deed net of hij aarzelde om nog wat meer te nemen. Toen hij de begerige blik in de ogen van de wolf zag, vouwde hij het papier volledig open en wuifde wat verstrooid met het bankbiljet. Zijn stem klonk zeer oprecht. “Een maand voor mijn vader stierf heeft hij in Wachtebeke een bank overvallen. Kijk, hier is een van de gestolen biljetten. Hij heeft dit briefje als bewijs aan mijn moeder gegeven, samen met dit plannetje. De vos toonde het papier met daarop een tekening. “Dit is deze weide, zei hij, en hij toonde de zeven tronken tussen twee afsluitingspalen. “Maar kijk nu goed,” ging hij verder. “Gij ziet hier op het plan vijf kruisjes getekend. Op een van de aangeduide plaatsen ligt het gestolen geld begraven. Het moet zo ongeveer om acht miljoen gaan. Ik heb me al gek gezocht om de juiste plaats te vinden, maar alleen kan ik het niet klaren. Zou jij Grim, die gekend zijt om uw speurtalent, mij niet willen helpen om dat geld te vinden?”De wolf bekeek Reynaert met wantrouwen, maar de begeerte stond duidelijk in zijn ogen te lezen. Zijn gedachten waren verward.“ Als ik u help, wat valt er dan voor mij van de tafel?,” vroeg hij na een poos. Reyn deed alsof hij heel diep nadacht. “Tja,” sprak hij traagjes, “ik ga het spel eerlijk spelen. Ik had zo gedacht: als wij het geld vinden, neem ik één vierde voor mij, dat moet zowat twee miljoen zijn. Gij neemt dezelfde som voor u. De rest van het geld brengen wij samen naar de rechtbank. We verdelen het vindersloon en gij eist nog een medaille van verdienste op. Dat is iets wat men u niet zal durven weigeren. Isegrim voelde zich in de wolken met dat prachtig voorstel. “Top,” riep hij, “ik doe mee”. Junior wreef zich, inwendig dan, in de handen. De zaak loopt als een trein, dacht hij. “Ik ben echt blij dat ik op u kan rekenen, Isegrim,” vleide hij, “gij zijt iemand met het hart op de juiste plaats.” De vos dacht even na. “Er is wel een ernstig probleem,” vervolgde hij, “het plan is al oud. Hoe zullen wij de juiste plaats kunnen vinden?” Isegrim keek wat ontgoocheld. Daar lag zijn winst in het water, dacht hij. “Ik weet het niet direct,” stamelde hij. Reynaert liep enkele stappen heen en weer. Hij deed alsof hij diep nadacht, keek om zich heen, bleef plots staan en sloeg zich op het voorhoofd. “Eureka… Ik heb het. Ik heb het!,” riep hij triomfantelijk. Reynaert bukte zich en raapte een gevorkte tak op. Hij zwaaide ermee en riep: “Grim, jongen, wij gaan pendelen. Met deze tak zullen wij het geld vinden.” De wolf bleef één groot vraagteken. “Van pendelen ken ik niets,”, zei hij mistroostig. Maar Junior troonde hem mee naar de plaats waar Juul stond te grazen.“Juul,” zei hij, “heeft een blinkende plek achteraan. Dat hebben alle wichelpaarden. Als wij nu de roede op de juiste manier gebruiken, is succes verzekerd.” Reynaert stak de tak omhoog en sprak enthousiast. “Kijk door deze vork naar de achterkant van Juul. Als gij de blinkende vlek kunt zien, hebt gij in de kortste keren de wichelkunst onder de knie. ”Reynaert bewoog de vork traag op en neer. Isegrim spande zich vergeefs in om doorheen de vork de blinkende vlek op de achterkant van Juul te zien. Er was helemaal geen vlek te bespeuren. Reyn bleef maar aandringen totdat Isegrim toegaf de vlek te zien, kwestie van geen gezichtsverlies te lijden. Reynaert verkneukelde zich. Zijn plan scheen feilloos te verlopen. “Grim, gij wordt een goed medium,” prees hij. De vos weidde verder uit: “Paarden die zulke vlek hebben, zijn echte wichelpaarden. Als gij nu achter Juul gaat staan, zo ongeveer op een meter afstand, houdt gij de vork met beide handen vast. De steel laat ge dan op de achterkant van Juul rusten. Gij moet heel kalm blijven en ontspannen. Dan sluit gij de ogen en telt ge traag tot twintig. Als gij u daarbij heel sterk concentreert, zult gij de juiste richting kennen waar het geld moet gezocht worden. Gij zult dat duidelijk voelen. Daarna gaan wij met de roede ter plaatse en de klus is zo geklaard. Isegrim keek ongelovig en was ongerust. Hij vond het allemaal nogal ingewikkeld. “Waarom doet gij dat niet?,“ vroeg hij aan de vos. Reyn deed gespeeld ongeduldig. “Luister Isegrim,” zei hij kortaf, “gij zijt het die moet leren. Doet ge niet volledig mee, dan kunt gij naar uw centen fluiten. Dan doe ik het later alleen en hou al het geld voor mij. Gij moogt kiezen: meewerken en beloond worden of… noppes.” De vos maakte een wegwerpgebaar. Isegrim aarzelde, maar durfde niet terugkrabbelen. En een paar miljoenen waren niet te versmaden. “Maar als het paard zijn poot achteruit slaat?,” vroeg hij nog. “Dat doet hij niet,” zei Reyn, “daar zorg ik wel voor.” Reyn bleef op Isegrim inpraten. Tenslotte zegevierde de hebzucht van de wolf. De vos duwde Grim in de juiste stand achter Juul en herhaalde nog eens wat de wolf moest doen. Toen Isegrim met gesloten ogen traag begon te tellen, liep Reynaert naar de kop van Juul en fluisterde: “Kameraad Juul, achter u staat iemand die overal rondvertelt dat gij een oude versleten turftrapper zijt die geen poot meer kan opheffen. Nu hebt gij de gelegenheid om die kerel eens goed op zijn plaats te zetten.” Gekwetst tot in het diepste van zijn mannelijk ego, spande de hengst alle spieren en sloeg uit alle macht de achterhoeven uit. Isegrim rolde meters ver achteruit. Hij gaf geen kik meer. De hoefijzers hadden zijn borst en kop verbrijzeld. “Goed gewerkt Juul,” prees Reynaert, “morgen breng ik u daarvoor een stoopje oude klare, wel bedankt maat.” Junior bleef nog een poos stilstaan bij de dode Isegrim. “Gij zijt de eerste,” gromde hij tussen de tanden. Om Juul niet in discrediet te brengen moest de wolf weg uit de weide. Reynaert keek om zich heen. Bij een naburige akker zag hij een klein bos. Met enige moeite sleepte hij het kadaver weg en verstopte het in het bos. Tegen de avond kwam Reynaert terug, begroef het lijk en dekte het graf met takken, plukken mos en gras. In Boudelo maakte men zich ongerust over de verdwijning van Isegrim, maar daar bleef het bij. De wolf was van de aardbol verdwenen.
HOOFDSTUK 7
Na de moord op Isegrim zat Reynaert Junior de hele nacht na te denken en te overwegen hoe het nu verder moest. Het was zeer goed mogelijk dat hij in verband zou kunnen gebracht worden met de verdwijning van de wolf. Voorzichtig handelen was dus geboden. In de late avond had Junior – dankzij zijn afluisterapparaat - een gesprek in de Boudelohoeve ogevangen. Zo had hij vernomen dat Tybaerts vrouw de volgende zaterdag naar Belsele zou vertrekken om haar zuster te bezoeken. Op zondag zou zij dan doorreizen naar Sint-Niklaas om daar enkele dagen haar moeder met de “grote kuis” te helpen. Reynaert zou geen vos geweest zijn, zou hij hier geen kans gezien hebben om Tybaert, medemoordenaar van zijn vader, te grazen te nemen. Vos Junior raadpleegde zijn kalender en vond dat hij nog voldoende tijd had om zijn slag voor te bereiden. Alleen moest hij voor een waterdicht alibi zorgen, kwestie van zijn afwezigheid te kunnen verantwoorden. Hiervoor een scenario in mekaar zetten, was voor Reyn een koud kunstje. De volgende morgen ging hij op pad. Vooraf ging hij zijn vriend Juul opzoeken. Nadat ze onder hun beiden het beloofde stoopje Hasseltse Klare soldaat hadden gemaakt, nam de vos afscheid van het paard. Daarna bracht hij een nieuw bezoekje aan Melanie, de leading lady. Na het gewone flikflooien werd Reynaert ernstig. Hij vertelde zijn vriendin dat hij voor een paar dagen weg moest, maar hij voegde daar bedremmeld aan toe: “Ik zit wel in de penarie, Melanie. Om de zonden van mijn vader uit te boeten, heb ik aan mijn moeder moeten beloven een beeweg te doen naar Oostakker, daarna nog een naar Melsele-Gaverland en tenslotte een kruisweg te bidden in Eksaarde. Dat ik dat allemaal te voet moet afhaspelen, vind ik niet erg, maar dat bidden zal voor een probleem zorgen.” Toen Melanie Junior met vragende ogen aankeek, ging hij verder: “Het zit zo, Melanie, in Frankrijk heb ik de weesgegroet alleen in het Frans leren bidden. Als ik nu in Oostakker zal beginnen met ‘Je vous salue, Marie', dan zal Onze-Lieve-Vrouw me niet verstaan, omdat hier alleen in het Vlaams wordt gebeden.” Reynaert wierp een sluwe blik op Melanie. Toen hij haar met begrip de kop zag knikken, ging hij deemoedig verder:” Ge begrijpt wel Melanie dat mijn moeite dan vergeefs zal zijn. Ik zou al heel wat verder zijn als gij me zoudt willen helpen, het weesgegroet in het Vlaams te bidden. Melanie vroeg niet beter dan haar vriend te helpen. Zij was zodanig in de wolken met de vraag van Reyn dat zij niet eens lette op het feit dat de vos - veel sneller dan normaal - het gebed kon aframmelen. Maar het gezicht van Junior stond zo schijnheilig en zijn stem klonk zo ontroerd, dat hij zelfs de Heilige Antonius een pad in de korf zou gezet hebben. Toen de vos vroeg dat Melanie intussen ook nog wat voor hem wou bidden, was zij er rotsvast van overtuigd een soort halve heilige als vriend te hebben. Vanzelfsprekend deed de vos niets om de zalige gedachtegang van zijn vriendin te verstoren. Nu hij zich in de rug gedekt voelde, wachtte hij rustig zijn tijd af. In de nacht van zaterdag op zondag vertrok de vos naar Belsele. Vooraf had hij zich verzekerd van het feit dat Tybaerts vrouw wel degelijk was afgereisd. Reyn rekende erop om zondag zijn slag te slaan. Als voorzorg had hij in een plastic zak, een broek en een jas meegenomen. Rond zijn hals droeg hij een grote paternoster. In alle vroegte die zondagmorgen rinkelde de telefoon naast Tybaerts bed in Boudelo. Toen de kat, grommend om de stoornis, de hoorn opnam, hoorde hij een vreemde stem die opgewonden schreeuwde: “Mijnheer Tybaert, kom onmiddellijk naar de kerk van Belsele. Hier is een verschrikkelijk ongeluk gebeurd. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat uw echtgenoot door een auto werd aangereden.” Nog slaperig begreep Tybaert niet zo goed wat er in de hoorn geschreeuwd werd. “Wat roept gij daar allemaal… Een ongeluk?,” vroeg hij aarzelend. “Herhaal eens wat gij hebt gezegd?” De stem in de hoorn sprak weer dringend. De boodschap werd nogmaals herhaald. De onbekende aan de andere kant van de lijn voegde er nog aan toe: “Uw vrouw wordt nu weggevoerd met de ziekenwagen, maar ik weet niet waarheen. Ik zal navraag doen waarheen men haar afgevoerd heeft. Kom onmiddellijk naar hier. Afspraak aan de ingang van de kerk te Belsele.” Toen de betekenis van de mededeling tot Tybaert doordrong, was hij in alle staten. De hoorn viel uit zijn handen. Een volle minuut stond hij als versteend. Toen kwam hij met een schok in beweging. Bestormd door angstwekkende visioenen en verblind door tranen stormde hij vierklauwens naar buiten, greep het eerste vervoermiddel dat hij te pakken kreeg en zwoegde weg, richting Belsele. De dag schemerde in de lucht toen hij al een stuk voorbij Sinaai was. Aan de Schrijberg op de wijk Duizend Appels werd hij door de rijkswacht tegengehouden en geverbaliseerd om te rijden zonder licht. Nu pas bemerkte de kat dat hij met de autoped van zijn jongste zoon op weg was. Toen een rijkswachter opmerkte dat hij nog altijd in pyjama was, sloegen bij Tybaert alle stoppen door. Wanhopig en dol van woede schold hij vloekend de rijkswachters uit en gooide hen de autoped tegen de benen. Daarna ging hij ervandoor. Met een hazenvaart schoot hij weg, richting Belsele. De gendarmen wilde de achtervolging inzetten met de combi, maar die weigerde dienst. Voor zij van hun verbazing bekomen waren, was de kat reeds uit het gezicht verdwenen. Toen Tybaert doodop aan het kerkportaal aankwam, droop hij van het zweet. Door zijn pyjama heen stond zijn pels in natte pieken rechtop. Zijn staart sleepte over de grond. Alle moed was uit hem weggevloeid. De kat voelde zich zo leeg en zwaar aangeslagen dat hij “averechts” reageerde toen hij de vos in de gaten kreeg. Als een kind begon hij te bleiren van ellende. In die toestand had de vos Tybaert nog nooit gezien. Aanvankelijk was hij erg verwonderd, maar weldra speelde hij volop op Tybaerts gemoedstoestand in. Zwaaiend met zijn paternoster kwam hij al biddend tot bij de kat. Deze zat zo in de put dat hij toeliet dat Reyn hem de arm om de schouders legde en met een grote zakdoek hem de tranen uit de ogen veegde. De vos deed dit zo overtuigend schijnheilig onder het luidop bidden van onzevaders, dat Tybaert natuurlijke argwaan in slaap werd gesust. Van zoveel heiligheid valt niets te vrezen, dacht hij. Tybaert kreeg het koud en beefde als een riet. Reynaert dacht aan de reservekledij die hij had meegebracht. Hij speelde deze onverwachte troef uit door de kat droge kleding aan te bieden, waardoor deze echt overtuigd werd van Reynaerts goedheid. Toen Tybaert van de grootste emotie wat bekomen was, begon Junior in geuren en kleuren over het zogenaamde ongeluk te vertellen. Hij legde uit hoe alles gebeurd was, hoe hij het slachtoffer had bijgestaan, hoe hij de hulpdiensten had opgeroepen, hoe hij de naam van de ongelukkige vrouw was te weten gekomen en hoe hij dan besloten had Tybaert onmiddellijk te verwittigen. Hij had een hele tijd moeten zoeken om een telefoon te vinden die goed werkte. “Daarna ben ik naar de politie geweest en heb vernomen dat uw vrouw naar de stadskliniek van Sint-Niklaas is gevoerd. Ik ben zo vrij geweest om naar het ziekenhuis te bellen. Daar heeft men mij verzekerd dat zij niet in levensgevaar is en goed zal verzorgd worden.” “Ik hoop dat ik gauw naar Sint-Niklaas kan vertrekken,” zei Tybaert. “Tja,” antwoordde Reynaert, “er zal op zondag niet zo gauw een bus komen. Gij zult met de trein moeten rijden. Spoor en station zijn hier vlakbij.” Overstelpt door zoveel dienstvaardigheid wist Tybaert eerst niet wat te zeggen. Hij keek de vos vol vertrouwen in de ogen. “Ik geloof dat ik mij in u heb vergist. Gij zijt heel wat beter dan uw reputatie laat vermoeden,” zei hij. Reyn trok alleen even de schouders op. Tybaert vervolgde: ”Het spijt mij dat ik betrokken was bij de veroordeling van uw vader. Gij verdient niet een slechte naam te hebben. In de toekomst zal ik al het mogelijke doen om uw naam van alle blaam te zuiveren. Zodra ik koning Nobel te spreken krijg, zal ik hem vertellen hoe goed gij voor mij zijt geweest.” Reyn glimlachte en dacht: het loopt hier gesmeerd, ik krijg hem te pakken. “Och man,“ zei hij, “ik ben blij dat gij het voor mij wilt opnemen. Maar gij weet ook wel hoe de mensen zijn hé. Zij geloven en zeggen het kwade altijd eerst. Spijtig genoeg moet ik boeten voor wat mijn vader heeft misdaan.” Reyn pinkte theatraal een traan weg en bad luidop een weesgegroet. Tybaert haalde meewarig de schouders op en zuchtte. De vos scheen weer tot de werkelijkheid te komen. “Kom op,” zei hij kordaat, “wij gaan naar het station.” Beiden stapten op. Reyn maakte een omweg richting spoor. Onder het stappen door de vroege ochtend vroeg de vos: “Tybaert hebt gij soms geen honger?” “Ik scheur van de honger,” antwoordde de kater. “Weet gij iets te eten?” Reyn wreef zich even over de neus. “Wacht even,” zei hij, “ik weet waar Whiskas te krijgen is, heerlijke, lekkere Whiskas.” Dadelijk liep de kater het water uit de bek. “Breng me er alstublieft naartoe,” smeekte hij, “ik ben een flauwte nabij van de grote honger.” Junior troonde Tybaert mee tot aan de spoorweg Gent-Antwerpen. Daar wees hij op de masten. Aan sommige daarvan was bovenaan een kastje aangebracht in de buitenhoek. “Kijk, vriend,” betoogde Reynaert, in die kastjes daarboven zitten dozen Whiskas verstopt. “Kan niet,” zei Tybaert, “wie stopt er nu eten weg op zo een onmogelijke plaats.” Reynaert deed alsof hij niets had gehoord. Hij bleef maar naar boven wijzen om de aandacht van de kat gaande te houden. Terwijl de kat vol verlangen naar boven bleef kijken, haalde Reynaert stiekem een leeg whiskasblikje en een blikopener uit zijn zak en liet het ongemerkt in het gras vallen. Als verwonderd wees hij naar het blik en zei: “Kijk man, er zijn al kapers op de kust geweest. Ik wil niet blijven aandringen, maar als ik zulke grote honger had als gij beweert te hebben, dan zat ik allang daarboven aan dat malse vlees te smullen.” Tybaert liep het speeksel van de lippen. “Help mij naar boven,” smeekte hij met aandrang. “O.K.,” zei de vos. Hij stopte de blikopener in de handen van de kat en ook een ijzerdraad die daar toevallig lag. Toen Tybaert hem vragend aankeek, zei Reyn met een stalen gezicht: “Daarboven, dat zijn elektrische kastjes. Dat moest je toch al lang gezien hebben. Om die open te maken leg je het ene eind van de draad op de kabel, midden de overspanning. Hou hem stevig vast en duw dan het andere eind tegen het kastje met die lekkere Whiskas. Gij zult dan zelf zien hoe snel uw honger zal gestild zijn.” Door honger gekweld dacht Tybaert niet verder na over de woorden van de vos. In drie tellen zat hij boven en volgde stipt de onderrichtingen van Reynaert Junior. Een grote blauwe vlam sloeg uit de kabel en gooide Tybaert morsdood in het bermgras. Langzaam liep de vos naar het lijk toe. Hij ontdeed de lege doos Whiskas van de wikkel. Daarop was een lachende en smakkende kat afgebeeld. Als grafschrift legde hij de wikkel op de dode kat en grijnsde breed. “Exit, de tweede moordenaar,” mompelde hij. Vrolijk fluitend liep de vos op zijn dooie gemak terug naar Boudelo. De zon scheen helder. Een prachtige zondag, vond Junior.
HOOFDSTUK 8
Koning Nobel hield groot beraad met zijn enige overgebleven lijfwacht, Bruin de beer. Zij waren zeer verontrust door de spoorloze verdwijning van Isegrim en de dramatische dood van Tybaert. Beiden wisten niet wat te denken. Toch waren zij van mening dat de vos er voor iets tussen zat. Bruin had Juul en Melanie ondervraagd maar was er niet wijzer van geworden. Toen hij zag dat de vos Melanie nog altijd kwam bezoeken in de weide, verstopte hij zich in een naburig prieel met de ijdele hoop iets uit de gesprekken op te vangen dat hij daarna tegen de vos zou kunnen gebruiken. Maar Reynaert was ook niet van gisteren. Hij had de beer al gauw in de gaten gekregen en bleef een paar dagen weg bij Melanie. Bruin werd het spioneren dan ook rap beu en gaf het op verstoppertje te spelen. Ondertussen trachtte Junior een plan te bedenken. Hij had ooit een cursus psychologie gevolgd en besefte daardoor dat het uitschakelen van Bruin een moeilijke klus zou worden. Anders dan de verwaande Isegrim en de onnozele Tybaert was de beer een tegenstander van formaat. Bruin was verstandig, voorzichtig en onkreukbaar (om nog te zwijgen over zijn grote fysieke kracht). Reynaert begreep zeer goed dat hij geduld zou moeten oefenen, te meer dat hij ook de bedoeling had de 11.11.11.-schat in te pikken. Alles moest dus met veel overleg gebeuren. Eens de beer uitgeschakeld en het geld gevonden, zou hij snel kunnen afrekenen met de omhooggevallen Nobel. Die zou hij best kunnen treffen in zijn hoogmoed door het monument dat Nobel verheerlijkte te dynamiteren. Dat zou dan het sluitstuk zijn van Juniors wraak. Reynaert vond het wel spijtig dat de kerk van Belsele allicht schade zou oplopen, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen. Juniors wraak zou dan volledig zijn en de schande voor goed uitgewist. Voorzichtigheid en geduld oefenen was nu de boodschap indien hij zijn doel ten volle wou bereiken. Aangemaand door Nobel en opgejaagd door Zombinetti legde Bruin zich volop toe op het opsporen van het geld dat Grimbeert de das in de omtrek van de tiendenschuur verborgen had. De dag door was hij in het touw om ten koste van wat ook zijn opdracht te vervullen. Hij zocht bij de brug en bij de geknakte boom, maar kon niets vinden. Daarom besloot hij zijn opzoekingsterrein systematisch uit te breiden. Hij speurde elke vierkante meter in de omtrek af, zocht onder struiken en bomen, in gaten en holen, op alle ondenkbare plaatsen. Hij concentreerde zich zodanig op zijn job dat hij er als het ware door geobsedeerd werd. En juist hierdoor beging de beer een kapitale fout. Hij verloor zijn spreekwoordelijke voorzichtigheid uit het oog. Zo kwam het dat hij niet merkte dat een vos hem als een schaduw volgde. Na enkele jaren ervaring bij de padvinders had Reyn van niemand nog les te krijgen in schaduwtechnieken. Gewapend met een groot mes volgde hij de beer op de voet. Op een donderdagnamiddag was Bruin weer op speurtocht dichtbij de Moervaart nabij de brug te Koudenborm. In de boomgaard naast de puinen van de tiendenschuur stond Hannes, een versleten en aftands muildier, vredig te grazen. Van hieruit zou Hannes getuige zijn van het drama dat zich in zijn nabijheid zou afspelen. De beer liep langs de rand van een diepe gracht en snuffelde in de warboel van bomen en struiken. Op een zeker ogenblik gleed hij uit en viel hij in de struiken. Door een ongelukkig toeval geraakte zijn kop klem in een zware takkenvork. Bruin stootte een zwaar gegrom uit en rukte aan de takken. Waarschijnlijk moet Reynaert op dat ogenblik even niet hebben opgelet. Toen hij het misbaar van de beer hoorde, dacht hij dat de 11.11.11.-schat was gevonden. Hij reageerde onmiddellijk, trok zijn mes en viel Bruin aan. De beer kreeg enkele messteken in de rug. Brullend van woede en pijn wrong de beer zich los, maar viel door het geweld achterover en rolde in de gracht. Reynaert maakte zich klaar voor een nieuwe aanval op wat hij dacht een weerloos slachtoffer te zijn. Maar zo snel was Bruin niet klein te krijgen. Terwijl het bloed uit zijn wonden gutste, kroop hij uit de gracht en viel als een stormram zijn belager aan. Bij beide vechters brak nu de sinds jaren opgekropte haat naar buiten. De strijd werd zo woest en bloedig dat Hannes voor het helse kabaal wegvluchtte en zich bevend als een riet in een hok nabij de tiendenschuur verborg. Pas veel later, toen alles weer stil geworden was, waagde het muildier zich weer naar buiten. Van de vechters was niets meer te zien. Wel was er een bloedig spoor dat eindigde aan de oever van de Moervaart. Van Reynaert en Bruin heeft men daarna niets meer teruggevonden. De brandweer heeft vergeefs de vaart uitgedregd. Men neemt aan dat beiden verdronken zijn en met de stroming afgedreven naar het zeekanaal Gent-Terneuzen. De legende houdt vechter vol dat beide vechters, door uitputting gedwongen, de strijdbijl zouden hebben begraven. Misschien hebben zij het geld toch gevonden en zijn ze dan samen vertrokken naar Frankrijk of naar Duitsland. Het raadsel is nog niet opgelost. Anderen beweren dat de 11.11.11.-schat nog altijd verborgen ligt in de buurt van de tiendenschuur. Een begroeid heuveltje zou de ware schatplaats zijn. Tot nog toe heeft nog niemand het geld gevonden. Zullen de opgravingen te Boudelo ooit klaarheid scheppen?
EPILOOG
De onderzoekscommissie, aangesteld om de Reynaert-Juniorstory ter plaatse te onderzoeken, heeft alle feiten en personen nagetrokken. Zij heeft haar bevindingen minutieus opgetekend en in een verhaal gegoten. Wat de beschrijvingen tot en met de dood van Tybaert betreft, mag worden aangenomen dat alles zich heeft voorgedaan zoals in dit verhaal werd beschreven. De feiten betreffende Tybaert te Belsele werden bevestigd door de dienstkloppers van de brigade te Duizend Appels. Daar werd nog een afschrift gevonden van het procesverbaal dat werd opgemaakt na de vlucht van de kater. Het zijn dezelfde mannen die het dood gebliksemde lichaam van Tybaert hebben gevonden en begraven. Het laatste deel betreffende de confrontatie Bruin-Reynaert kon slechts eenmaal worden opgetekend. De ultieme bevestiging door Hannes kon niet worden vastgelegd. Het muildier was ondertussen schielijk overleden in een worstenfabriek te Zelzate-Noord. Twee getuigenissen werden alleen volledigheidshalve in de marge van het verhaal opgenomen. Een pillendraaier van de Roode Hoek, specialist in poeders van het zwarte kruis, beweerde dat hij Bruin en Reynaert na de feiten had zien wegrijden met een wagen volgestouwd met zakken geld. Daar de man in extreme mate bijziend bleek te zijn, werd zijn getuigenis niet weerhouden. Zijn buurvrouw sprak in dezelfde zin. Ze voegde er aan toe dat ze op die wagen luide muziek en gezang had gehoord. Toen achteraf werd vastgesteld dat de vrouw doorlopend “geestelijk verheugd” was door overmatig gebruik van jenever, werd ook haar verklaring niet ernstig genomen. Op 18 januari 1989 is de voltallige commissie nogmaals ter plaatse gegaan voor een laatste controle. Zij heeft moeten vaststellen dat op die dag alles en iedereen in de meest letterlijke zin van het woord in een dikke mist waren opgegaan. Wel hebben de commissieleden een gewezen vriendin van Melanie ontmoet. Deze echter weigerde elke medewerking en toonde meteen haar volumineus achterwerk aan de commissie. Dadelijk werd daarna de grote Van Dale geraadpleegd, deel 2 pagina 1893. Daar werd bevonden dat bedoelde onheuse daad als kwalificatie “onbeschoft” diende aangemeten. Gezien het door weersomstandigheden en het laakbare gedrag van de getuige niet meer mogelijk was nuttig werk te verrichten, werd aan de secretaris opdracht gegeven onderhavig verhaal op te tekenen. Na opstelling en lezing in de hoeve Het Pauwenhof te Klein Sinaai werd het verhaal door de vergadering met eenparigheid van stemmen goedgekeurd, waarna de bestaande commissie zichzelf heeft ontbonden.
Getekend: Dhr. Pauwenmans, voorzitter
Dhr Paardenvijver, lid
Dhr Kefferkints, lid
Dhr Schapenhoeder, secretaris
Gegeven te Klein-Sinaai op 18 januari 1989.